Volledig scherm
© ANP

Een versteviging van taal, een
versteviging van gedachten

gastopinieHet Latijn van toen, het Engels van nu en, naar verwachting, het Chinees van straks, zijn gemeenschappelijke werktalen waaraan het universitair onderzoek zijn bestaan dankt. 

Het toezicht op Engels als studietaal bij opleidingen in het ­hoger onderwijs wordt strenger. Maar de wet op grond waarvan dat toezicht straks moet worden uitgevoerd, wordt ruimer. Universiteiten en hogescholen zullen in de toekomst moeten aantonen dat onderwijsaanbod in het Engels ‘meerwaarde’ heeft. Reken maar dat ze dat gaan doen. Tot nu toe was de drempel hoger: instellingen moeten aantonen dat een andere taal dan het Nederlands noodzakelijk is. Maar ook daarmee hebben ze nooit veel moeite gehad. Zo weinig, dat zelfs studenten uit Engeland hier tegenwoordig komen studeren, om van Oost-Euro­peanen en Chinezen niet te spreken. Of Nederlandse studenten daar beter van worden, is een vraag die niet over de hele linie eenduidig beantwoord kan worden. Veel hangt af van de ­docent en diens taalvaardigheid. Nog meer hangt af van het vak dat hij of zij doceert: hoe taal-afhankelijker het vak, hoe groter het nadeel van een opleiding waarin die taal door de meeste deelnemers (studenten en docenten) beperkt beheerst wordt. Het valt dan ook te begrijpen dat Beter Onderwijs Nederland (BON) haar procedures tegen de universiteiten van Maastricht en Twente (voor hetzelfde geld waren dat Tilburg en Eindhoven geweest) doorzet. BON meent dat de noodzaak van Engelstalig onderwijs lang niet altijd wordt aangetoond, ten nadele van de Nederlandse studenten die wij allen met ons belastinggeld bekostigen. Als ik BON was, zou ik niet veel vertrouwen hebben in de maatregelen die nu rondzingen om de toevloed van buitenlandse studenten in te dammen, namelijk hoger collegegeld en een maximum aantal toelatingen voor studenten van buiten de EU. Het hoger collegegeld zal betaald worden (want een goede Engelstalige opleiding is elders nog duurder), en de instellingen zullen die gelden niet laten lopen.

Moerstaal

Maar… ik ben BON niet. Het probleem ligt genuanceerder dan BON het voorstelt. Want behalve verlies is er ook winst, precies op het punt van diepgang. Eerst een cultuur-historisch argument. Universiteiten konden in Europa ontstaan omdat mensen nieuwsgierig genoeg waren naar elkaars inzichten om er hun moers­taal voor op te geven en hun toevlucht te nemen tot een wat onbeholpen, maar gemeenschappelijke taal: Latijn. Tot in de 20e eeuw werd ook in Nederland bij bepaalde opleidingen (bijvoorbeeld theologie) nog een soort potjeslatijn als vaktaal gebruikt. En als student heb ik in de ­jaren 60 aardig verdiend door bijles Latijn te geven aan rijkeluiszoontjes die anders geen studie Nederlands recht konden doen. Ik ben niet de eerste die stelt dat het Latijn van toen het Engels van nu is: een gemeenschappelijke werktaal waaraan het universitair onderzoek zijn bestaan dankt. Misschien zal ik de eerste blijken die voorspelt dat die gedeelde taal over dertig jaar het Chinees zal zijn, gebrekkig gesproken en fonetisch geschreven met een Latijns ­alfabet.

Natuurlijk ken ik het tegenargument. De universiteit is in belangrijke mate een beroepsopleiding geworden, zoals het HBO altijd al was. Relatief weinig studenten gaan de kant van het onderzoek op; die kunnen hun Engels later wel bijspijkeren, mocht dat nodig blijken. Ik stel daar tegenover dat de werkomgeving van de meeste beroepen waarin hogeronderwijsstudenten terechtkomen, in de afgelopen twintig jaar zeer veel ­internationaler is geworden. Voorbeeld: bij de invoering van het ­Electronisch Patiëntendossier werd het Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis (Tilburg-Waalwijk) ondersteund door ‘200 professionals uit de hele wereld’ [BD 30 maart]. Ander voorbeeld: VDL-Groep werkt in 20 landen, aangestuurd vanuit het hoofdkantoor in Eindhoven. Hoezeer ook geworteld in de regio, blijkens haar website zit je er in ‘een internationale werkomgeving’, zelfs voor MBO-functies.

Nieuwe wegen

Mijn tweede argument berust op persoonlijke ervaring. Filosofie, meen ik te mogen zeggen, is extreem taalafhankelijk: het luistert heel nauw hoe je dingen zegt. Ik ben de ­filosofie ingetrokken door de geschriften van een meester in die kunst: Cornelis Verhoeven. Niet voor niets kreeg hij de PC Hooftprijs voor zijn essays (1978). Zonder zijn Nederlands had ik niet leren denken. En nog steeds, als het er werkelijk op aankomt nieuwe wegen te verkennen, begin ik te schrijven in het Nederlands. Bijna had ik gezegd: in mijn moerstaal. Maar nee, in de taal waarin ik geboren ben, een Brabants dialect, kan ik geen filosofie bedrijven. En ik weet van Verhoeven (toevallig afkomstig uit hetzelfde dorp als ik) dat hij dat ook niet kon. Filosoferen over zijn moeders taal, dat kon hij; maar niet in zijn moeders taal. ­Filosofie vereist kennelijk niet de taal waarin men geboren, maar de taal waarin men geschoold is. Bij sommigen is dat dezelfde taal, in mijn geval niet. Welnu, voor zover er in andere disciplines even diep wordt nagedacht als in de filosofie, vermoed ik dat het daar niet anders ligt. Dat ten eerste. Maar nu terug naar dat Engels, dat over anderhalve generatie dus Chinees gaat worden. Ik beschouw dat niet als een vervanging maar als een versteviging van de taal waarin men school gaat. Die scholing leidt niet alleen tot meer woorden voor gedachten die er al zijn, maar ook tot stevigere gedachten. Verhoeven zei het al: ‘De taal is niet een jas die aan- en uitgetrokken wordt, maar eerder iets als een huid.’ (Herinneringen aan mijn moedertaal, pagina 21). Verstandige verengelsing is dus huidverzorging.

Bert van Roermund is rechts­filosoof.

poll

Als postzegels nog duurder worden, stuur ik nooit meer een kaart

  • Eens (75%)
  • Oneens (25%)
1133 stemmen