Lees het bijzondere verhaal van schrijver Splinter Chabot: Versierde verwonding

Vandaag lees je in de serie #ikleesthuis het verhaal van Splinter Chabot. In de maand mei schrijven 15 bekende schrijvers korte verhalen om de Nederlanders een hart onder de riem te steken.

Luister je liever naar het verhaal? Klik op bovenstaande video waarin Splinter Chabot het zelf voorleest.

Versierde verwonding


De nacht naderde en iemand had de kerstlichtjes alvast opgehangen in de avondlucht. Geen wolken, geen mist, nee: de ‘heelverwegvanhiernachtkamerlampjes’ kregen deze nacht vrij spel. Hoewel ik wist dat er geen auto van links, dan wel van rechts zou aankomen, checkte ik het voor de zekerheid toch even voordat ik de straat overstak. Liever het zekere voor het onzekere nemen, dan andersom. Hond Bril en ik wilden gaan wandelen. Ik vermoedde dat het een avondwandeling zou worden die ik snel kwijt zou raken in mijn geheugen, verloren tussen alle herinneringen die ergens een plekje in je hoofd krijgen. 

Vandaag lees je in de serie #ikleesthuis het verhaal van Splinter Chabot.
Volledig scherm
Vandaag lees je in de serie #ikleesthuis het verhaal van Splinter Chabot. © Pascale van Reijn

Zoals elke herinnering die ergens in een hoek of in een gang geplaatst wordt. Aanwezig maar onvindbaar, zoals zo veel. Ergens zou ik wel door die gangen in mijn eigen hoofd willen lopen, zodat ik kon kijken waar wat was neergezet en welke herinneringen volgens mijn hoofd op een voetstuk werden geplaatst en welke herinneringen volgens mijn hoofd in een hoekje mochten wegkwijnen. Misschien dat ik dan een grote schoonmaak zou houden, met stofzuiger, bezemsteel en dweil erdoorheen. Want ergens had ik het vermoeden dat mijn hoofd en ik er niet hetzelfde over dachten.

Deze avond zou ik vast vergeten, verwachtte ik van tevoren, tót ik wilde oversteken. Want op dat moment vond ik mijn lichaam in remstand. Alsof mijn spieren ogen hadden; ze weigerden verder te gaan, trokken eigenhandig aan de handrem. Ik keek op van het asfalt. Naar het bos dat groot en niet onwelkom voor mij lag. Welk gevaar dachten mijn spieren te zien? vroeg ik me af. Het ze vragen werd ingewikkeld. Ik keek naar het bos en wist dat de bomen groen waren. Dat had ik eerder vandaag gezien toen de zon nog scheen. Donkergroen. Lichter groen. Deze zomer deden de bomen hun best om te laten zien hoeveel verschillende kleuren ze konden produceren. 

Alsof ze ons iets duidelijk probeerden te maken, tegen ons iets wilden zeggen, maar wat dat precies was bleef tot nu toe onduidelijk. Ik begreep mijn eigen spieren niet en wilde verder lopen. Totdat ik beweging zag, of dacht te zien, verderop in het bos. Op het bospad, dat je vanaf de straat maar voor een heel klein stukje kon zien, leek iets te gebeuren. Een beweging, snel, maar niet haastig of angstig. Hoewel ik niet bang was, begreep ik dat ik niet door moest lopen. Niet oversteken. Voorgenomen plannen toch geen doorgang laten vinden. Angstig een verrassing te verstoren.

Het was negen over negen toen ik wakker werd en zag dat de zon scheen. Bijna plagerig kwam ze om de hoek van mijn nog dichte slaapkamergordijnen kijken. De zon had zo haar eigen avonturen te beleven vandaag. Met mijn vinger drukte ik op de rode knop van het verlengsnoer. De kerstlichtjes die rondom ons hemelbed hingen en over de boekenkast sluierden, sprongen aan. Kerst had in dit huis een vrijbrief om het hele jaar door te schitteren. Even later gaf ik ook de zon toestemming om vrijelijk door de kamer te dansen.

‘Wat ga je doen vandaag?’ was de vraag die ik mezelf stelde toen ik boven aan de trap stond.

‘Waarschijnlijk minder dan ik gepland had en me had voorgenomen,’ antwoordde ik. Lucas was al op, want ik had mezelf deze ochtend alleen in bed aangetroffen toen ik wakker werd. Hij was al lang op, bedacht ik me daarboven aan de trap, want de badkamervloer was vrij van douchedruppels die konden duiden op een kort geleden uitgevoerde wasbeurt. Misschien was Lucas zelfs al uit huis, ergens in de stad, materiaal aan het halen voor een van z’n projecten of druk in gesprek met een artiest met wie hij samenwerkte. Stiekem wilde ik in zijn agenda kijken, om mijn nieuwsgierigheid te stillen, maar nog liever wilde ik via zijn ogen de wereld zien. Omdat ik dan kon kijken hoe hij uit het dagelijks leven inspiratie haalde voor de kunstwerken, de projecten en de muziek die hij bedacht. 

Lucas was, jaren geleden alweer, mijn verrassing, zonder dat ik wist van wie of waarom ik hem kreeg. Ik wist niet eens of we wel echt een relatie hadden, realiseerde ik me, want we hadden het nooit officieel gemaakt. En wat je niet uitspreekt bestaat niet, of maar tot op onzekere hoogte. Misschien dat ik dat toch eens bij hem moest opwerpen – hoe het nou precies tussen ons zat – sprak ik met mezelf af. Nu eerst maar eens de dag beginnen, en ik daalde af. De traptreden kraakten voorzichtig, zij hadden alvast zin in vandaag.

Op de eettafel lag een briefje. Handgeschreven. ‘Ik ben weg, nieuwe avonturen makend, let jij op de hond?’ Het was definitiever opgeschreven dan het bedoeld was, dat wist ik, maar in Theorie zou ik het briefje kunnen interpreteren als een uitgezwaaid afscheid. Lucas die niet terug zou keren voor het slapengaan, maar verder het leven in was gewandeld. Ik kon hem geen ongelijk geven. Hij was niet mijn bezit, net zomin als ik zijn bezit was, al had ik het gevoel dat ik dat toch een beetje was. Met mijn gevoel kon hij doen en laten wat hij wilde. 

En het is juist mijn gevoel dat sturing geeft aan alles wat ik doe. Misschien dat ik dan toch zijn bezit was, maar dat ik dat niet erg vond. Iets wat men bezit, wil men graag behouden – hield ik mezelf voor. En dát kwam mij goed uit, in dit geval. Ik wilde graag het bezit van Lucas zijn. Lucas had blond grijze haren, groengrijze ogen en een kaaklijn alsof iemand met een potlood zijn gezichtscontouren al schetsend en strak op papier had gezet voordat hij geboren was. Als hij al echt geboren was, want ik kon het niet voor me zien dat hij als baby onder het bloed zou hebben gezeten, of als baby gehuild zou hebben. Daarvoor was Lucas te fijntjes. Te gevoelig. Te netjes. Te slim zelfs bijna. Hij straalde iets uit alsof hij een andere manier had weten te vinden om hier op de wereld te komen. 

Het leek alsof hij altijd al geweest was zoals hij vandaag de dag in de ogen verscheen van de mensen om hem heen: een slanke, knappe, intelligent gespierde, bijna betoverende jongen. Bij een biologieles zou je al zijn spieren kunnen aanwijzen, zonder dat hij tot het opgepompte kaliber hoorde. Hij had daarnaast een glimlach die je het liefst zou willen stelen, zodat je hem op je eigen gezicht kon plakken. Als ze kunstgebitten zouden maken zoals zijn glimlach, dan zou iedereen zijn tanden laten trekken en vervangen.

Ik keek nog een keer naar het briefje. Hij had een kus aan het briefje gegeven, en daarmee aan mij. Ik moest erom lachen, want dat betekende dat hij lippenstift op had moeten doen. Lucas was niet het type dat lippenstift draagt. Wel voor een themafeestje, dan is niets te gek, maar voor het dagelijks leven? Nee. Dan was ik eerder degene die make-up wilde aanbrengen. Op het dagelijkse en op alles eromheen. Lucas daarentegen had geen lippen die lippenstift nodig hadden en ook geen wimpers die met mascara mooier gemaakt dienden te worden. De effecten van make-up zaten in de genen van Lucas ingebouwd. Waar anderen zich moesten versieren, was Lucas van zichzelf al versierd. Hij was eerder bezig de wereld om hem heen te versieren. 

Alles wat mooi is, is gevaarlijk, omdat je er niet meer eerlijk naar kijkt,’ had Lucas ooit tegen me gezegd. Wat hij er precies mee bedoelde wist ik niet, zoals ik wel vaker het gevoel had dat opmerkingen en gedachtes van Lucas eerder langs en door me heen gingen, in plaats van in me bleven haken. Zijn woorden vonden in mijn hoofd niet altijd een kapstok. Begrijpen deed ik hem daardoor niet altijd, maar zo nu en dan drongen zijn opmerkingen zich als plotselinge herinneringen aan mij op.

Het was ongeveer drie over drie toen ik met Hond Bril het huis uitliep. We stonden op de stoep en wachtten op de voorbij zuchtende auto’s en vakantievierende fietsers. Het huis achter ons leek ons een duwtje in de rug te willen geven, een klein zetje om te gaan wandelen en vooral niet te snel terug te keren. Het riep nog net niet: ‘Hup, toe maar, ga je gang. Wandel zonder rem.’

We liepen het bos in. Ik vond dat we het goed getroffen hadden met dit bos als onze overbuur. Niet alleen omdat het een bos was, dus een niet al te luidruchtige overbuur, maar vooral omdat het een interessant bos was. Een bos waarin je keuzes had. Waarin je kon kiezen, letterlijk én figuurlijk, welk pad te bewandelen. Het bos kende verschillende paden die tot verschillende landschappen en wandelingen zouden leiden. Zo werd elke wandeling een nieuw minileven.

Het begin van het bos was bijna altijd, ongeveer, hetzelfde. Je kon hier en daar een kleine extra slinger naar links of rechts maken, maar voor de rest was er een beperkt assortiment. Er was namelijk één hoofdpad dat iedere wandelaar grotendeels moest nemen. Uiteraard stonden er de ene keer meer bloemen dan de andere keer, en ook de bomen werkten keurig mee aan het seizoensschema, vanuit hen geen protesterende stemmen. Maar voor de rest bleef de verandering in het begin van het bos tot een minimum beperkt. Wilde je variatie aanbrengen, dan moest je verder doorlopen. Want als je ver genoeg doorliep, dan kwam je op een keurig kruispunt waar je een keuze moest maken. 

Een kruispunt waarbij het aanbod was uitgestald als op een dienblad. Alsof het bos een butler was die je iets wilde laten beleven. Avonturen die uitgeserveerd werden, hoe klein ook. Al blijkt vaak genoeg, net als bij eten, dat de kleinste avonturen het lekkerst kunnen zijn. Het bos deed het goed als butler en hield elke dag het dienblad gereed op het kruispunt met zijn keuzes.

Ging je vanuit dat kruispunt naar rechts, dan zou je het landgoed Clingendael binnenwandelen. Ach, Clingendael. Clingendael leek gestolen te zijn uit een kostuumdrama. Zo’n landschap waarin je de prinses in een grote betoverende jurk over het grasveld ziet rennen met op de achtergrond het landhuis en om haar heen de bloemen die altijd in bloei lijken te staan. Als kijker weet je: ergens is een prins, met een ingewikkeld verhaal, maar hoe ingewikkeld het ook wordt, de liefde overwint uiteindelijk. Soms zijn clichés clichés omdat we ze zo graag zien en beleven, en we door de commercie in die behoefte worden voorzien. 

En gelukkig maar. Want zo’n kostuumdrama in zo’n landschap, dat is een film waarin je wilt verdwijnen. Zo’n film waarvan je niet wilt dat hij eindigt. Ikzelf had daar een oplossing voor gevonden: de film niet afkijken. Niets fijners dan een mooi verhaal dat nog nét niet af is en waarin wel alle personages opgevoerd zijn, maar nog niemand dood- of weggegaan is. Als je de film dán stopzet, kun je zelf de regie over het verhaal overnemen. Dan kun je als je ’s avonds naar bed gaat, er vrolijk op los fantaseren. En als je nou een extra scheutje fantasie in je brein laat vloeien, kun je jezelf zo in het verhaal schrijven. 

Tientallen prinsen, kostuums en weidse landschappen had ik op die manier al onveilig gemaakt. En Clingendael, ach Clingendael, dat was dus zo’n kostuumdramalandschap. Met knuffelgrote bomen, eeuwige herfstbladerendekens als een bruin, rood, geel tapijt en bruggen over watertjes en vijvers die zachtjes zuchten als je eroverheen loopt, omdat je ze wakker maakt met jouw aanwezigheid. Eigenlijk moet je er ook niet overheen lopen, daarvoor zijn die bruggen niet gemaakt. Het zijn van die bruggen die hoog reiken, terwijl er in werkelijkheid een veilig stilstaand watertje onder ligt. 

En waarvan je weet dat als je midden op zo’n brug gaat staan en je naar links en rechts kijkt, je een landschappenschilderij ziet, een levend stilleven. Zo’n brug, die dat in petto heeft, daarvan weet je dat hij niet gemaakt is om op te lopen. Ze zijn er alleen voor verliefde stellen die er gaan staan zoenen. Dat weten die bruggen zelf ook. En doe je dat niet, dan beledig je de brug, en je weet maar nooit wanneer dat problematisch kan worden. Clingendael, ach Clingendael, het gestolen landschap uit een kostuumdrama. Met wie of wat je er ook zou wandelen, verliefd worden zou je er sowieso.

Een andere keuze die uitgeserveerd werd op het kruispunt was schuin naar links. Dan kwam je in de duinen. De Waalsdorpervlakte. De duinen hadden iets zeeïgs. Alsof de zee daar lang, lang geleden wilde golven had gemaakt. Alsof ze een dans had opgevoerd en dat iemand op het hoogtepunt van die dans had besloten dat de zee geen zee moest zijn, maar dat de zee zand moest zijn. Daardoor leken de duinen nu op een zandzee met zandgolven. Golvend als een stuk fluwelen stof. Ik vroeg me af wat de duinen daar zelf van vonden, daar zelf over dachten, maar de antwoorden op mijn vragen bleven onvindbaar zoals zandkorrels dat zijn. Op de duinen deden dennenbomen en eikenbomen aan stuivertje wisselen. Hond Bril liet ik de keus welke weg te gaan.

Na de wandeling kwamen we weer door het begin van het bos. Niks leek veranderd, maar alles was anders. Alsof een onzichtbare hand mijn kin voorzichtig had vastgepakt, werd mijn hoofd richting een van de bomen rechts van mij geleid. In eerste instantie leek het een willekeurige bladdrager die om mijn aandacht vroeg, maar toen ik nog drie stappen had gezet, zag ik wat mijn onderbewuste al had gezien. Er hing een schilderij aan de boom. Een schilderij. Aan de boom. 

Ik stopte met wandelen en liep naar de boom toe. Het was een rond schilderij, met een donkerbruine lijst, overeenkomstig met het boomschors. Alsof de schilder met het ronde doek hierheen was gekomen en speciaal voor de boom een op maat en op kleur geselecteerde lijst had uitgekozen. Niet een snelle klus, nee, zorgvuldig en met precisie uitgevoerd. Deze boom verdiende dit schilderij en deze lijst. 

En dat het geen snelle oprisping was geweest, besefte ik des te beter toen ik keek naar hoe het ronde schilderij met zijn schorskleurige lijst was opgehangen. Niet met een haastige spijker, nee, het schilderij was gemonteerd met een geduldige haak en een keurig draadje dat zelf ook zeer content leek te zijn met de opdracht die hem was toevertrouwd. Het schilderijtje was niet tegen de boom getimmerd, maar zorgvuldig gemonteerd op de plek waar een grote vertakking van de boom was afgezaagd. De hoofdstam stond nog overeind, maar de ‘tweede weg’ die de boom was begonnen, was vroegtijdig afgehakt. Onklaar gemaakt. Weggezaagd. 

Daar, op die verwonde plek, was het schilderij aangebracht. Als een pleister plakte het. Zoals een maatpak op maat wordt geknipt en genaaid, zo leek dit schilderij op maat geverfd en gezaagd. Ik keek om me heen naar de broertjes, zusjes, nichtjes en neefjes van deze boom en zag de verwondingen die bij hen waren aangebracht. Geen boom zonder. 

Opeens wilde ik een van die bomen zijn, zodat ik kon weten hoe het was om hier dag en nacht te staan. Hoe een stilstaand leven, waar andere levens aan voorbijtrekken, eruitziet. Hoe zou het zijn om alleen te kunnen praten als de wind in de bladeren blaast?  Hoe zou het zijn om te groeien en te bloeien? Hoe zou het zijn als je altijd op één plek blijft? Ik bedacht me dat als je als boom ruzie krijgt met een van je broertjes, zusjes, nichtjes en neefjes, je een probleem hebt. Even weglopen is er niet bij. Of krijgen bomen geen ruzie met elkaar? Het waren vragen waarop de boom mij voor nu een antwoord verschuldigd leek. Ik keek nog een keer om me heen, naar alle bomen met hun eigen verwonding. Maar er was meer te zien, want ik zag nu ook wat het schilderij mij wilde laten zien: elke verwonding, hoe groot en heftig ook, kon omgezet worden in iets moois, in verbeelding en fantasie. Een dromendokter was hier bezig geweest. Verwonding kan versierd worden.

Toen ik het bos uitliep, weer de mensenwereld in waarbij ik mezelf erop betrapte dat ik nog moest uitzoeken of ik dat jammer vond of niet, zag ik waarom Lucas en ik drie jaar geleden dit huis hadden gekocht. Voordat ik overstak bleef ik even kijken. Op, over en aan de gevel zaten overal krullen. Alsof het in Amsterdam had moeten staan, aan de grachten. De Heren-, Keizers- of Prinsengracht op z’n minst. Maar het was hier neergezet, misschien wel foutief, maar het verplaatsen was niet mogelijk. Het was ons eigen Paleis op de Dam. 

De krullen krioelden en kroelden over het huis en leken de stenen te willen kriebelen. Het huis was drie verdiepingen hoog, plus een zolder en een kelder. Eigenlijk te groot voor ons, maar vanwege dromen die nog moesten komen en de ruimte die ze innemen, vonden we dat we genoeg excuses hadden gevonden om het toch te kopen. Achter de ramen op de derde verdieping zag ik beweging. Lucas was thuis. In mijn lichaam steeg een stel vrolijke vlinders op, verlangend naar een bloem.

Iets na negenen, na het avondeten, gingen Hond Bril en ik nog een keer wandelen. De nacht naderde en iemand had de kerstlichtjes in de avondlucht alvast opgehangen toen ik opnieuw naar buiten ging. In de verte zag ik beweging in het bos. Voorgenomen plannen dienden gewijzigd te worden. Angstig een verrassing te verpesten. Verwonding kan versierd worden, maar dat proces moet je vooral niet te veel storen, bedacht ik me. De dromendokter deze avond in de weg lopen, leek me niet de bedoeling.

‘Sorry,’ zei ik tegen Hond Bril, ‘het wordt voor de verandering een wandeling over de stoep en langs de straat.’

Toen ik thuis was gekomen van de korte avondwandeling zag ik dat Lucas zich al had omgekleed. Hij had zijn badjas aan. Een rode, met witte sterren erop. Knuffelbeerpluizig. Zijn haren zaten douchegekamd naar achteren, al had hij niet gedoucht want ze waren niet nat. Hij glimlachte naar me, een glimlach die ik graag van hem kreeg en nog grager in ontvangst nam. Ik keek naar hem. Hij leefde vaker en meer in zijn hoofd dan in de wereld om hem heen. Hoewel ik dat fantastisch vond, omdat hij daardoor dingen bedacht die nooit bedacht werden, wist ik ook dat hij daardoor nooit helemaal van mij zou zijn. Ik moest hem delen met de avonturen die hij beleefde in zijn fantasie. Ik moest hem delen met zijn eigen gedachtes en daar viel vrijwel niet mee te concurreren. Ergens, niet eens zo heel ver weg, deed me dat pijn.

‘Heb je een mooie wandeling gehad?’ vroeg hij

Nadat ik de kaarsen in de roze marmeren badkamer had uitgeblazen, kroop ik naast Lucas in bed. Dat de kaarsen als lampen dienden in de badkamer was mijn schuld geweest. Op een dag was een van de lichtjes in de kleine kristallen kroonluchter die in de badkamer hing, kapotgegaan. En heel langzaam, als een uitdovende polonaise, waren ook de andere lichtjes in de kroonluchter uitgegaan. Alsof ze een knipoog gaven, maar een eenrichtingsverkeerknipoog; wel dicht maar niet meer open. 

Ik had toen als tijdelijke oplossing kaarsen in de badkamer gezet. Maar sommige zaken kun je beter niet tijdelijk oplossen, want voor je het weet is tijdelijk opeens eeuwig. Zoals nu. Ondanks het feit dat Lucas lampjes wilde halen, was de kroonluchter niet in ere hersteld. Dat wilde ik niet. Ik vond de kaarsen gezelliger, romantischer, mooier. Daarbij, als je ’s ochtends, na het douchen, de kaarsen uitblies, rook je in de verte de geur die je als kind ruikt als je de kaarsjes op een verjaardagstaart uitblaast. Zo begon ik elke dag dus met een feestje in de verte. Lucas had mij dit plezier gegund en zich er inmiddels bij neergelegd.

Mijn hoofd had net zijn kuiltje in mijn kussen gevonden toen Lucas een gesprek begon.

Zou je kinderen willen?’ vroeg hij.
Ik keek hem aan. Zou mijn antwoord hem bang maken, vroeg ik me af.
‘Ja, ik zou zeker kinderen willen,’ zei ik
‘Hoeveel?’ vroeg hij
‘Zes,’ zei ik
‘Waarom zes?’
‘Dat leek mij een mooi aantal, en voor een familiefoto is dat mooi symmetrisch.’

Lucas moest lachen.

Maar ik wil een kind sámen met jou,’ zei ik, ‘écht met jou.’
Lucas keek me aan.
‘Geen adoptie of draagmoeder, gewoon, echt een kind met jou. Van ons.’
Lucas keek me nog steeds aan.
‘Ik las in een wetenschappelijk artikel dat het knappe koppen was gelukt om gezond nageslacht te krijgen uit twee vrouwelijke muizen,’ ging ik verder.

Lucas keek niet verontrust.

‘Twee meisjesmuizen kregen gezonde minimuisjes en die minimuisjes, nadat ze helemaal groot en volledig waren geworden, hebben ook weer gezonde nakomelingen gekregen. Zónder tussenkomst van een mannelijk muisje,’ ging ik voorzichtig verder.

Lucas had zich nog niet weggedraaid op zijn eigen kussen. Maar nu kwam het gevaarlijke gedeelte, dat wist ik.

‘In Theorie,’ begon ik, ‘zou dat dus kunnen betekenen dat wij misschien ooit ook onze eigen kinderen kunnen krijgen. Als man en man dus.’

‘Theorie, ja,’ zei Lucas, en hij hoefde eigenlijk zijn zin niet af te maken want ik wist wat er ging komen. ‘Theorie en werkelijkheid, het zijn twee verschillende zaken, zo niet verschillende werelden.’

Het was even stil in de kamer. Lucas had mijn droom, mijn kinderdroom, in de kiem gesmoord. Lucas’ ademhaling verried dat hij het gesprek in zijn hoofd voortzette met zijn eigen gedachtes, zodat hij vervolgens het gesprek wat verderop met mij weer kon oppakken. Stiekem wilde ik in zijn hoofd kunnen kruipen om er rond te kunnen sluipen. In de hoeken en in de gangen van zijn hoofd kijken, ontdekken wat er verstopt lag, wat er vergeten en bewaard was.

De man is altijd het zwakkere geslacht geweest, en de vrouw heeft de man niet nodig. Dát is wat dit onderzoek en die muizen eigenlijk laten zien. Het is nu bijna officieel: de vrouw heeft de man niet meer nodig, voor niets niet,’ zei Lucas met grotestappensnelthuis-zinnen.

‘Er is nog iets,’ zei ik, ‘ze hebben het ook bij mannetjesmuizen geprobeerd en die nakomelingen haalden de derde dag niet.’

‘Zie je wel,’ zei Lucas, ‘het zwakkere geslacht.’

Ik keek hem aan. Ik vond het leuk als hij in een discussie in een plaagstand ging en zaken kort door de bocht formuleerde, daardoor gaf hij mij de ruimte om te kiezen waarop ik hem kon aanvallen. Verbaal stoeien. We wisten allebei dat het verbaal stoeien over zou gaan in fysiek stoeien en in zijn ogen zag ik dat ook hij zin had in die toekomst.

Jij wilt nog niet slapen, hè?’ zei ik.

‘Jij moet minder vragen en meer doen, want met alleen dromen kom je er net niet helemaal.’

Het was even stil.

‘Wie op de rem leeft, leeft niet eerlijk. Niet alleen naar z’n omgeving niet, maar ook, of vooral, naar zichzelf niet, hoorde ik vandaag iemand zeggen,’ zei Lucas terwijl hij weer naar mij keek. ‘Hoe beschadigd iets of iemand ook is, uiteindelijk kan vanuit die beschadiging de kleur en de verwondering opstaan.’ Hij ademde rustig, alsof het muzieknoten waren die in een film op de achtergrond de sfeer bepaalden.

‘Zullen we morgen schilderen?’ zei Lucas opeens.

Ik keek hem aan.

Mag ik jou morgen schilderen?’ vroeg hij vervolgens. Zonder dat hij bewoog had ik het gevoel dat hij nu heel dichtbij was gekomen.

Ik moest lachen. En dacht aan het bos.

‘Ben je de wereld aan het versieren?’ vroeg ik.

‘Nee,’ zei hij, terwijl hij even wachtte en vervolgens alvast de laatste lichtjes in de kamer, die van boven het hemelbed, uitklikte en daarmee een vrijbrief gaf aan de maan en de nacht. De donkerte was geen eenzame donkerte, maar een warme. Geen donkerte waarin je verdween, maar eentje die je lief en zacht omarmde.

Lucas haalde adem voor zijn laatste zin van vandaag: ‘Ik ben niet de wereld aan het versieren. Ik ben jou aan het versieren.’

Deze samenwerking is tot stand gekomen met het CPNB. Voor meer verhalen kun je terecht op Hebban.nl

Vandaag lees je in de serie #ikleesthuis het verhaal van Splinter Chabot. In de maand mei schrijven 15 bekende schrijvers korte verhalen om de Nederlanders een hart onder de riem te steken.
Volledig scherm
Vandaag lees je in de serie #ikleesthuis het verhaal van Splinter Chabot. In de maand mei schrijven 15 bekende schrijvers korte verhalen om de Nederlanders een hart onder de riem te steken. © CPNB