Volledig scherm
© Foto: Ramon Mangold

Lorenzo Boudewijns terug bij Boeimeer: ‘Het voelt vertrouwd om bekenden terug te zien’

Kind van de club Lorenzo Boudewijns is vanaf dit seizoen coach van het kersverse zaterdagteam van Boeimeer. Onder leiding van de 35-jarige Boudewijns start de club uit de Haagse Beemden in de vierde klasse C.

Je maakte deze zomer als trainer de overstap van Molenschot naar Boeimeer. Hoe voelt het om terug te zijn?

,,Het is een beetje een dubbel gevoel. Ik kwam hier altijd naar het sportpark als speler, nu heb ik een andere rol. Ik ben nu mede het gezicht van de club. Maar het voelt vertrouwd om bekenden terug te zien. Ik heb hier tenslotte een jaar of zestien in de selectie gespeeld.”

Je hebt altijd gezegd dat je ooit zou terugkeren bij Boeimeer. Nu is het al zover.

,,Ja, ik had niet verwacht dat ik al zo snel terug zou zijn. Ik heb de interesse gedurende het vorige seizoen eerst een paar keer afgehouden, vond het nog te vroeg. Rond de winterstop kwam de selectie van Boeimeer een keer niet opdagen tegen Be-Ready. Ik hoorde dat en het gaf me een slecht gevoel. ‘Zo’n mooie, grote vereniging die geen elftal op de been kan krijgen. Dat mag niet kunnen.’ Toen heb ik besloten om toch te babbelen. Bij Molenschot kreeg ik een fantastisch afscheid, met een seizoenkaart voor het leven!”

In de selectie tref je een aantal jongens met wie je nog zelf hebt samengespeeld. Hoe is dat?

,,Dat gaat erg goed. Met een handvol gasten heb ik inderdaad ook gevoetbald toen ik nog bij Boeimeer speelde. Een voordeel is dat ik weet wat ik aan ze heb, en andersom. En zij accepteren me als coach.”

Wat verwacht je dit eerste seizoen van je selectie?

,,We gaan zeker niet te hoog van de toren blazen. Veel jongens spelen pas voor de eerste keer met elkaar. Dat wordt wennen. Ik zie het als zaaien en oogsten. We hebben een aantal verschrikkelijk goede spelers, maar we hebben tijd nodig om elkaar te leren kennen. Tot nu toe gaat dat aardig, de sfeer is goed. Ik merk dat er met veel plezier gevoetbald wordt en daar begint het mee.”