Column: Rookgordijn

Op de dag dat de BrabantsZeeuwse bolusoorlog uitbreekt - want van wie is die lekkernij nu eigenlijk? - komt Philip Morris met zoet nieuws. Het bedrijf gaat tóch weer zelf met tabak aan de gang in Bergen op Zoom.


Daar wordt het gevierd als een overwinning. Na het stoppen van de sigarettenproductie leek niemand het lege fabrieksterrein nog te willen. Tv-bouwers en pillendraaiers haakten af. Logistieke ondernemers wilden zich overal vestigen behalve dáár, bij die ene bekende snelwegbocht.

Maar wat zien we aan de horizon? Wie galoppeert daar met een tas vol banen aan zijn zadel? Die goeie ouwe Marlboro Man zelf! ‘Philip Morris sluit de stad weer in de armen’, prevelt een Bergse wethouder, nog net niet snikkend.

Slikken we dat gejubel nu echt voor zoete koek? Op de plek waar tot voor kort 1.230 mensen werkten, zijn er straks nog 70 aan de slag. Maximaal. Ze hebben wél een groot deel van de bestaande fabriekshallen nodig, dus die kun je ook niet meer verpatsen aan een firma met veel arbeidsplaatsen. En daar applaudisseren we dan voor.

De verlosser? De tabaksgigant is eerder een voetballer die met een bloemetje naar het ziekenhuisbed komt, waarin de tegenstander ligt die hij zelf twee gebroken benen heeft geschopt. Sportief hoor...

Daarnaast blijft dat andere natuurlijk een beetje raar: terwijl de ene overheid het roken keihard ontmoedigt, juichen twee andere om een miljoeneninvestering in moderne nicotineverslaving. Een elektro-peuk, uiterst eigentijds en volgens de makers potentieel minder schadelijk. Tja.

Wat was het mooi geweest als hier, op de grens van Brabant en Zeeland, juist een ouderwets product was gemaakt. Een zoet, plakkerig, provincies verbindend ding. Maar ja, wie investeert er tegenwoordig nog in een bolusfabriek?

  1. Moerdijk mocht dan een vissersdorp zijn, vis werd er amper gegeten
    COLUMN

    Moerdijk mocht dan een vissersdorp zijn, vis werd er amper gegeten

    Mijn vader was een visserman. Hij verdiende de kost op het Hollandsch Diep met het vangen van paling, bot en spiering. Ik maakte dat eind jaren zestig van nabij mee, toen dat water arm aan vis was geworden. De paling die je er ving, was amper nog geschikt voor menselijke consumptie. Hij zat vol met al de chemische troep die zich op de bodem van het Hollandsch Diep had verzameld. Paling leefde in en van die bodem.