Daarvoor hoef je niet veel bloed en geschreeuw om je heen te hebben", is de ervaring van woordvoerder Jaap Nelemans van het Admiraal De Ruyter Ziekenhuis.
Het ADRZ oefent vier keer per jaar, waarvan twee keer samen met de brandweer. De oefeningen in het ziekenhuis beperken zich iedere keer tot één afdeling, om de bedrijfsvoering niet te veel overhoop te halen.
De ziekenhuizen hebben twee soorten rampenplannen, voor calamiteiten buiten het ziekenhuis en voor calamiteiten in het ziekenhuis zelf. Bij dat laatste speelt ook de bedrijfshulpverlening een grote rol.
Hetzelfde is het geval bij de Zeeuws-Vlaamse ziekenhuizen van Zorgsaam. Die oefenen jaarlijks, vertelt Linda Goense, sectormanager zorg. Toevallig is er aanstaande donderdag nog een grote oefening in het ziekenhuis in Terneuzen, waarbij echte slachtoffers nagebootst worden. Daar komen ook de collega's van het ADRZ een kijkje nemen. Dergelijke grote oefeningen waarbij de realiteit zo veel mogelijk wordt benaderd worden om de vier tot vijf jaar gehouden. De andere jaren zijn het eerder papieren oefeningen.
Linda Goense: "We oefenen om te kijken of het draaiboek werkt. Ook al is het maar iets kleins, het moet wel allemaal kloppen. Je hebt niks aan plannen die alleen maar ergens in een kast liggen."
Ook Zorgsaam heeft scenario's voor calamiteiten die buiten de ziekenhuizen gebeuren. Zo werd de organisatie onlangs nog benaderd toen een schip op de Westerschelde dreigde te plooien en de mogelijkheid aanwezig was dat er giftig gas vrij kwam. De vraag was toen hoeveel bedden het ziekenhuis vrij had om geëvacueerde bewoners van verzorgingsinstellingen op te vangen.
Ook de Stichting Voor Regionale Zorgverlening met zijn acht hoofdlocaties en talrijke kleinere vestigingen oefent zeer regelmatig. Iedere vestiging heeft een eigen ontruimingsplan. Ook hier spelen de mensen van de bedrijfshulpverlening een grote rol. En er zijn evacuatie-afspraken met bedrijven en bijvoorbeeld scholen in de naaste omgeving. In principe is het bij ons goed geregeld, zegt SVRZ woordvoerster Marije Jongepier.




















