Grotesk. Dat is het eerste woord dat in me opkomt als ik Marlies Hamelynck (moeder) en Gusta Geleijnse (dochter) op het podium voor het huis in Hoek zie.
Alles spat uitvergroot en vervormd de tribune op. Niet alleen het breiwerk, de bril en de schort, maar ook de mimiek en de motoriek. En bovenal de emoties.
Alles zo extreem dat het publiek er niet over piekert om voluit te lachen.
Ook niet als daar aanleiding is, zoals wanneer er vliegen dood geslagen
worden.
De dood is pregnant aanwezig tussen de moeder en de
dochter, daar valt niet om te lachen. De dood is omgeven met verwijten en
leugens. Er wordt evenmin gelachen wanneer de dochter niet uit haar woorden
kan komen, want deze dochter is door de moeder monddood gemaakt. En dat is
tragisch.
Mijn hart breekt voor de dochter. Hoe kan ze de
meedogenloosheid van de moeder verdragen.
De eindeloze stroom
verwijten. Hamelynck brult en bralt. Ze spreekt kalm, verraderlijk aardig,
tartend, treiterend, bijtend, spottend, giftig. Ze dirigeert een ongelijke
strijd. Ze ontneemt haar dochter de vrijheid, schendt rücksichtslos haar
privacy.
Mijn hart breekt voor de moeder. Haar wanhoop, haar
uitzichtloosheid, haar verlatenheid en vooral haar angst. Zij is geleefd.
Zij heeft het verdragen. Zij kan niet meer. Eén keer streelt ze haar
dochters hals. De dochter verstart, verwacht klauwen. De liefdesstroom is
opgedroogd, weggerot en beiden lijden eraan.
Ademloos zoek ik naar
tekenen van opstand, hoe miniem ook, van dochters kant. Want als die er niet
zijn, is er geen hoop. Dan is alle hoop op toekomst verloren. Een vleermuis
scheert boven het podium, verkeer dendert onaangedaan verder. Hier kan geen
aardse regisseur tegenop.
De dochter rebelleert, geeft de moeder
partij. Op haar manier. Grotesk aangrijpend. Hoop gloort, voorzichtige
opluchting golft door de polder.
'Vandaag geen vis' heeft
nauwelijks verloop. Het is een samenballing van jaren vol verdriet, pijn en
wanhoop. Boven dit alles staat de onmacht. Onmacht om te spreken, om de
waarheid te zien, de realiteit te aanvaarden, het contact te herstellen, de
liefde te tonen, elkaar te bereiken.
De gifbeker die aan het begin
gereed gemaakt wordt, zet het geheel onder spanning. Zullen er overlevers
zijn? Dat werkt, maar er is geen ruimte voor nuance, voor twijfel, voor
wiebelen van het ene op het andere been.
Alles is absoluut. Alleen
het publiek heeft mededogen. Op het toneel is geen tederheid, geen humor.
Daartoe zijn deze personages niet in staat en dat doet pijn.




















