Ruud Paesie promoveerde afgelopen donderdag op zijn onderzoek naar Zeeuwse smokkelaars in de achttiende eeuw. foto Ruben Oreel
Zie ook:
Neem Cornelis van Pere. Hij was zeven keer burgemeester van Vlissingen,
bewindhebber van de West Indische Compagnie (WIC) en gecommitteerde raad van
Zeeland. Tegelijkertijd zat hij tot zijn nek in de smokkelhandel. Of Pieter
de la Rue, hoofdaandeelhouder van de WIC en later directeur van de
Middelburgse Commercie Compagnie (MCC). Hij investeerde in ten minste
zestien smokkelschepen die meer dan dertig illegale handelsreizen
ondernamen. De bovenwereld was in Zeeland in het begin van de achttiende
eeuw stevig verstrengeld met de onderwereld.
Lorrendraaiers heetten
ze, de smokkelaars die het octrooi dat de Staten Generaal aan de WIC hadden
verleend voor de handel op West-Afrika ontdoken. Middelburger Ruud Paesie
promoveerde afgelopen donderdag op zijn onderzoek naar die smokkelhandel. "
Het is een verhaal met een hoog Pietje Bellgehalte", zegt hij zelf. "
Ik heb geprobeerd een stuk verborgen geschiedenis weer te geven."
Dat lorrendraaierij een Zeeuwse - en vooral Vlissingse - aangelegenheid was,
is geen toeval: de Zeeuwen waren van oudsher sterk in de handel op
West-Afrika. Daarnaast had Zeeland te lijden onder toenemende concurrentie
uit Holland en Vlaanderen. Zeeuwse kooplieden waren er volgens Paesie van
overtuigd dat de Hollanders ze uit de markt probeerden te drukken. De
regenten hielden - als ze al niet gewoon meededen - de lorrendraaiers de
hand boven het hoofd: er was geld te verdienen.
De WIC probeerde op
te treden tegen de overtreders van het octrooi, maar dat was helemaal niet
eenvoudig. Om te beginnen werden smokkelaars nauwelijks bestraft. Wie
betrapt werd, kon officieel de doodstraf krijgen, maar die is nooit
toegepast op een smokkelaar. Sterker nog: vaak kregen betrapte
bemanningsleden - omdat er onvoldoende personeel te krijgen was - een
baantje bij de compagnie aangeboden.
Bovendien waren de
smokkelaars moeilijk te vangen. Ze beschikten over veel wendbaardere schepen
dan de compagnie en de lorrendraaiers waren goed bewapend. Zelfs zo goed dat
er regelmatig hevige gevechten op zee uitbraken. In 1718 schoten twee
lorrendraaiers het compagnieschip De Faam naar de zeebodem. Het schip kreeg
een voltreffer in de kruitkamer en explodeerde. Er vielen 117 doden. In
Zeeland werd verheugd gereageerd op het nieuws uit Afrika, schrijft Paesie.
De lorrendraaiers namen onder meer textiel, vuurwapens en buskruit mee naar
Afrika. Zeeuwse buskruithandelaren hadden belang bij die handel: bij gebrek
aan een Europese oorlog probeerden ze nieuwe afzetmarkten te vinden. Langs
de West-Afrikaanse kust kochten de smokkelaars slaven in die ze voornamelijk
op de Caraïbische eilanden Sint Eustatius en Sint Thomas verkochten.
De illegale slavenhandel was veel omvangrijker dan iedereen tot nu toe dacht,
betoogt Paesie. Daarmee is ook het Nederlandse aandeel in de internationale
slavenhandel veel groter dan steeds werd aangenomen.
Paesie
berekent dat er tussen 1700 en 1730 120.000 mensen vanuit Afrika naar
Amerika zijn gebracht door schepen die afkomstig waren uit de Republiek der
Verenigde Nederlanden. Een derde daarvan kwam voor rekening van de
lorrendraaiers. Ook zijn berekeningen over de goederen die zijn verhandeld
door smokkelaars zijn opzienbarend: in het begin van de achttiende eeuw
waren er zelfs meer lorrendraaiers actief dan schepen van de WIC. Na 1720
stortte de illegale handel in: de Zeeuwen richten de MCC op.
- Ruud
Paesie, Lorrendrayen op Africa. De Bataafsche Leeuw, ISBN 9789067076272, €
29,50.


Sorteer reacties

















