article
1.6137760
BREDA - Het gesprek is op zijn verzoek in Kamu, de hippe koffiebar in hartje Breda. Designfietsen sieren de wand. Bij binnenkomst wijst Klaas Dijkhoff op een paars exemplaar. „Kijk, dat is de mijne, had ik thuis geen plek meer voor.”
Longread staatssecretaris Klaas Dijkhoff: Als we iedereen willen helpen, dan valt het systeem om
BREDA - Het gesprek is op zijn verzoek in Kamu, de hippe koffiebar in hartje Breda. Designfietsen sieren de wand. Bij binnenkomst wijst Klaas Dijkhoff op een paars exemplaar. „Kijk, dat is de mijne, had ik thuis geen plek meer voor.”
http://www.bndestem.nl/regio/brabant/longread-staatssecretaris-klaas-dijkhoff-als-we-iedereen-willen-helpen-dan-valt-het-systeem-om-1.6137760
2016-06-25T05:00:00+0000
http://www.bndestem.nl/polopoly_fs/1.6141878.1466954271!image/image-6141878.JPG
Tweede Kamer
Brabant
Home / Regio / Brabant / Longread staatssecretaris Klaas Dijkhoff: Als we iedereen willen helpen, dan valt het systeem om

Longread staatssecretaris Klaas Dijkhoff: Als we iedereen willen helpen, dan valt het systeem om

Foto's
1
Reacties
Reageer
    • Afbeelding
      Fotograaf
    BREDA - Het gesprek is op zijn verzoek in Kamu, de hippe koffiebar in hartje Breda. Designfietsen sieren de wand. Bij binnenkomst wijst Klaas Dijkhoff op een paars exemplaar. „Kijk, dat is de mijne, had ik thuis geen plek meer voor.”

    De VVD-staatssecretaris komt hier vaker. „Voor de koffie dan, hè. Voor een biertje lijkt het me nog wat vroeg. Daarvoor ga ik ’s avonds liever naar de kroeg aan de overkant.” Hij oogt relaxed, zo dicht bij huis, zo dicht bij zijn geliefde toren van de Grote Kerk waar hij dinsdag de zesde Nassaulezing uitspreekt.

    Sinds vorig jaar waakt hij over een aantal zeer lastige portefeuilles. Veiligheid, justitie, vluchtelingenproblematiek. Hij doet dit met verve, vinden velen. Klaas Dijkhoff (35) bestelt thee en steekt goedgehumeurd, zelfverzekerd en met Brabantse tongval van wal over de dilemma’s die schuil gaan achter de heikele kwesties waarmee hij dagelijks wordt geconfronteerd.

    Wat is uw grootste dilemma?
    „De discussies lopen op dit moment hoog op. Als je de basisvraag stelt: moeten we oorlogsvluchtelingen helpen? Dan zegt iedereen ja. Zelfs de schreeuwers. Maar ergens tussen de plek van oorlog waar iemand zielig is en geholpen moet worden en de plek van aankomst hier; daartussenin verandert dat een beetje. Er zijn mensen die zeggen: er zit geen einde aan onze barmhartigheid. Nou, in theorie niet. Het is niet zo dat ik denk na tien vluchtelingen, die elfde help ik niet, zoek het maar uit. Die wil ik ook helpen. Maar je bent wel beperkt, je kunt niet alles. En zeker niet allemaal tegelijk en ieder jaar. Je hebt ook de samenleving die we hebben, zoals die is. Die kan een hoop absorberen, maar als de culturele afstand groter is, moet je beseffen dat je daar tijd voor nodig hebt en dat we dat niet kunnen doen met heel grote getallen. Het gaat over draagkracht op de lange termijn.”

    Zijn deze dilemma’s anders dan bijvoorbeeld in de jaren ’90 toen Nederland Joegoslavische vluchtelingen met open armen ontving?
    „De vluchtelingen uit het voormalig Joegoslavië waren bekenden. Veel Nederlanders gingen er op vakantie. De culturele afstand was kleiner. Dat maakt het verschil met nu. Als morgen België overstroomt, dan vangen wij zo 100.000 mensen op. Belgen zijn onze naaste buren, dat voelt vertrouwd. Bovendien weet je dat ze weer snel terug willen en ook weer gaan. Opvang zoals die ooit is bedacht: heel tijdelijk en in de buurt. Nu heb je grote groepen vluchtelingen bij wie de verschillen groter zijn en die langer blijven.”

    In de Nassaulezing spreekt u over de vervaagde grens tussen oorlogsvluchtelingen en economische vluchtelingen.
    „Dat is nog een ander verschil met de jaren ’90. Kijk, Syriërs zouden niet zijn gevlucht als er geen oorlog was. Syrië was geen vrij, maar wel een stabiel en redelijk welvarend land. Mensen konden er fatsoenlijk leven, kinderen gingen naar school. Die mensen waren echt niet vertrokken als het nog was zoals voor de oorlog. Maar als ze eenmaal toch op de vlucht gaan, stoppen ze niet als het veilig is. Daar heb ik alle begrip voor. Kijk, als je met je gezin uit Syrië naar Turkije vlucht en je ziet dat daar al 2,5 miljoen landgenoten zijn, je niet kunt werken en je kinderen niet naar school kunnen, dan ga je verder. Kom je in Griekenland, denk je, ik heb die oversteek nu toch al gemaakt, ik heb het gelukkig gered op dat bootje, waarom zou ik hier stoppen? Ergens vermengt het feit dat iemand vluchteling is zich met economische motieven. Men redeneert: als ik toch van huis moet, dan ga ik liever naar Duitsland, Nederland of Zweden. Dat soort dilemma’s komen er nu allemaal bij.”

    U schetst de overwegingen van een vluchteling zeer beeldend. Als u over vluchtelingen spreekt, ziet u dan de gezichten voor u? 
    „Nee, vluchtelingen zijn voor het beleid een abstract begrip. Dat kan niet anders. Ik dwing mezelf daartoe. Als je in Syrië gaat kijken, dan zie je alleen maar mensen van wie je denkt: die moet ik helpen. Allemaal. En ook als je denkt, we kunnen een beperkt aantal helpen, er is er altijd één meer. En dat is ook een mens. Als we iedereen willen helpen, dan valt het systeem hier om.”

    Maar soms krijgt u een dossier waarbij het slechts om hulp aan één mens gaat, met één naam en één gezicht. Het meisje Jessica dat met haar moeder en broertje in Gilze woonde en is uitgezet naar Burundi. De puber Larissa uit Oud-Vossemeer, die, hoewel ze hier is geboren, terug moet naar Armenië. Veel mensen begrijpen niet waarom zij ons land moeten verlaten.
    „Ons beleid bestaat er niet uit dat aardige mensen hier mogen blijven en onaardige mensen niet.”

    Voor Larissa zijn bijna 10.000 handtekeningen opgehaald.
    „En er zijn ook kinderen voor wie geen handtekeningenacties zijn gehouden. Hebben die dan minder rechten? Of moeten we die anders behandelen? Het probleem is dat als mensen blijven die geen vluchteling zijn, dit ten koste gaat van mensen die wél recht op verblijf hebben. We hebben mensen die ‘nee’ te horen krijgen en met hun gezin meteen vrijwillig gaan. Daar hebben we ook geen handtekeningenacties voor. We hebben mensen die ‘nee’ horen, maar echt niet willen vertrekken en die ik ook niet direct gedwongen uit kan zetten. Dan wordt het lastig omdat we in Nederland toch zo menselijk zijn dat kinderen zich niet hoeven te vervelen en bijvoorbeeld gewoon naar school mogen. Die scholen hoeven niet verplicht te klikken, dus zeggen niet: ‘hier zit een kind dat hier niet hoort.’ Die scholen hebben ons dan ook - terecht - jaren niet gebeld. Maar ja, dan wordt het natuurlijk wel steeds pijnlijker als ze uiteindelijk wel moeten gaan.”

    U kunt in zo’n geval gebruikmaken van uw discretionaire bevoegdheid en een besluit over uitzetting overrulen.
    „Die bevoegdheid heb ik, maar die is er alleen om de scherpe kantjes van het beleid af te halen. We hebben wetten en dan is het niet zo dat een of andere staatssecretaris die maar eventjes opzij kan zetten als het hem uitkomt. Zo werkt het niet.”

    Hoe voelt het om die bevoegdheid te hebben?
    „Dat is helemaal niet prettig. Maar ik heb geen zelfmedelijden als ik bepaalde moeilijke besluiten moet nemen. Voor mij is het vervelend, maar voor de mensen die het betreft is het vele malen vervelender dat er een beslissing over hen wordt genomen. Natuurlijk is het lang niet altijd eenvoudig. Ik kan er niet met heel veel mensen over praten. Het is een lastig element van mijn werk. Dan voel je je soms wel alleen. Maar het hoort erbij. Daarmee is het voor mij eigenlijk wel meteen klaar. Dat het voor mij vervelend is, maar voor hen nog veel vervelender. Dan ben ik echt heel snel klaar met zelfmedelijden.”

    Dijkhoff houdt rekening met de instroom van 58.000 vluchtelingen dit jaar. Zijn ambtenaren bereiden zich in het uiterste geval voor op de komst van 93.000 asielzoekers. Rijk, provincies en gemeentes spannen zich in voor voldoende opvangplekken.

    „Ondertussen doet het kabinet er in Europees verband alles aan om ervoor te zorgen dat die instroom niet zo hoog wordt”, zegt hij. Onder leiding van commissaris van de koning Wim van de Donk hebben de Brabantse gemeentes afspraken gemaakt over de opvang van bijna 15.000 vluchtelingen.

    Heeft Brabant het volgens u goed geregeld?
    „Ik vind het heel goed dat het in Brabant gecoördineerd is gebeurd en dat we niet iedere gemeente apart hoefden te bellen. Brabant is een grote provincie, dus ik vind het logisch dat die in subregio’s is opgedeeld. Omdat je anders een beetje afkoerst op de situatie dat de helft van de gemeentes het werk doet en dat de andere helft heel blij is dat ze niets hoeft te doen. Ik vind het heel goed dat men zichzelf hierop heeft aangesproken. Dat je begint met de vraag: als we het nu echt serieus nemen wat zou iedere gemeente dan aan werk hebben? En dat je daarna wel op z’n Brabants de flexibiliteit hebt om onderling te kijken naar wat past bij het gebied.”

    Typisch Brabants opgelost?
    „Nou, hier is wel effe op zijn Brabants goed in de gaten gehouden of de buurman zijn snor niet drukt. De taak is heel helder neergelegd. Ik vind het fijn van Brabant dat we zo zelfbewust zijn. We zijn er trots op dat we de tweede economische motor van het land zijn en vinden daarom dat Den Haag goed naar ons moet luisteren. Maar we nemen dan ook de verantwoordelijkheid als we een klus moeten klaren die meer een taak is. Dat kan als voorbeeld dienen voor andere provincies.

    Toch lijken de grootste schreeuwers de dans te ontspringen. Steenbergen, Heesch. Alleen maar een paar statushouders, geen asielzoekers.
    (Resoluut) „Vergis je niet. Statushouders huisvesten betekent dat ze vermoedelijk in je samenleving blijven. Kijk, hier achter in de Koepel zitten vierhonderd vluchtelingen, maar die zijn straks gewoon weer weg. De mensen hier in de straat hebben twee jaar lang vierhonderd extra buren gehad. En dat is het. Statushouders gaan vermoedelijk niet meer weg.”

    Als Klaas Dijkhoff over ‘zijn’ Breda praat, lijken zijn ogen te glimmen. Hij is weliswaar niet in de Nassaustad geboren en getogen, maar voelt zich wel zeer verknocht aan de stad waar hij al jaren woont. Hij praat even door over de Koepel, maar gaat dan in een adem over op de Grote Kerk in Breda, de plek waar hij volgende week de Nassaulezing uitspreekt. 

    U schijnt die toren van de Grote Kerk wel mooi te vinden.
    „Dat klopt. Mijn vriendin wordt er wel eens gek van. Als we van vakantie terugkomen en ik zie de toren, dan ben ik écht thuis. Toen ik op huizenjacht ging, heb ik steeds gekeken of ik vanuit in ieder geval één plek in huis de toren kon zien. Die geeft iets rustgevends, staat er al heel lang. Dit is thuis. Het is grappig om te zien dat veel mensen die hier niet vandaan komen net als ik dat gevoel hebben.”

    Herman van Rompuy, Neelie Kroes, Lex Hoogduin, Jeroen Dijsselbloem en Henk Kamp spraken vóór u de Nassaulezing uit. Met wie voelt u zich het meest verwant?
    „Jeetje, moeilijk te zeggen. Ik heb respect voor het vakmanschap van Van Rompuy. Hij zag zijn baan als EU-voorzitter als een soort kunst. Heeft in Europa veel voor elkaar gekregen. Maar ik heb niet het gevoel voor Europa dat hij heeft. Ik vind <QA0>
    Europa een prachtig continent, maar het is niet meer dan een samenwerking van landen. Ik voel me Brabander, Nederlander en dan pas Europeaan. Ja, ik kom uit een Europees land, maar ik slaap niet onder een blauw dekbed met gele sterren of zo. De Europese Unie is een bestuurslaag en een liefde voor bestuurslagen heb ik niet.”
    „Kamp en Dijsselbloem zijn nuchtere collega’s. Ze staan, net als ik, vaak voor hete vuren en bewaren altijd de rust. Daar heb ik veel respect voor. Net als voor Mark Rutte. Ik heb dagelijks met hem te maken. Hij doet zijn werk fenomenaal. Wie hem ooit opvolgt als premier... nou, veel succes ermee.”
    „Maar eigenlijk heb ik niet zoveel met helden en voorbeelden. Als ik er toch een moet noemen: Frits Bolkestein. Die heeft bij mij echt het vuurtje aangewakkerd. Toen ik 17, 18 jaar oud was, heb ik me voor het eerst in deze man verdiept. Ik was onmiddellijk onder de indruk van de manier waarop hij bepaalde heikele thema’s aan de orde stelde.”

    Frits Bolkestein had een loopbaan in de politiek en in het bedrijfsleven. Blijft u altijd in de politiek?
    „Ik sluit niets uit. Denk niet vooruit. Altijd in de politiek? Dat denk ik niet.... dat is wel heel lang. Ik zal wel altijd mijn lidmaatschap van de VVD blijven houden, dat wel.”

    Volgend jaar zijn de verkiezingen. Wat is uw ideale rol in het volgende kabinet? 
    „Wat ik nu doe vind ik voorlopig heel interessant. De verkiezingen ga je als partij in. Daarna moet je met anderen een team samenstellen. Ik vind het belangrijker dat er voor Nederland een goed kabinet staat dan dat ik nu al over een eigen rol daarin nadenk.”

    Ziet u zichzelf ooit nog politiek actief zijn in Breda?
    „Ja hoor. In Den Haag mogen dan wel grote beslissingen worden genomen, als hier in Breda het vuilnis een week niet wordt opgehaald, dan zijn er meer mensen ontwricht. Dat is het mooie van lokale politiek.”

    En als u later groot bent. Burgemeester van Breda?
    (Lachend) „Ik vind dat een stad de voorkeur moet hebben voor iemand die iets met die stad heeft. In dat opzicht zeker. Maar gelukkig ben ik vervangbaar en kan Breda ook prima zonder mij. Dus ik moet niet een soort van grootheidswaan hebben. Maar Breda is een heerlijke stad. Ik zie het zo voor me...”