Genen verstoren werking van medicijnen

maandag 18 augustus 2008 | 08:22 | Laatst bijgewerkt op: maandag 18 augustus 2008 | 08:32

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
Het schilderij Portret van dr. Gachet van Vincent van Gogh dat op de voorkant van het proefschrift van dr. Albert-Jan Aarnoudse staat. Het vingerhoedskruid op het schilderij wordt gebruikt als medicijn tegen hartritmestoornissen. Maar het kan ook, bij een bepaalde genvariant, die stoornissen juist veroorzaken. foto GPD

Het schilderij Portret van dr. Gachet van Vincent van Gogh dat op de voorkant van het proefschrift van dr. Albert-Jan Aarnoudse staat. Het vingerhoedskruid op het schilderij wordt gebruikt als medicijn tegen hartritmestoornissen. Maar het kan ook, bij een bepaalde genvariant, die stoornissen juist veroorzaken. foto GPD

Medicijnen en bijwerkingen lijken onlosmakelijk gekoppeld. Neem Lariam. Vroeger was het een veelgebruikt medicijn om malaria te voorkomen.

Het hoeft maar één keer per week ingenomen te worden en dat is natuurlijk ideaal als je op vakantie bent. Maar Lariam heeft een belangrijk nadeel: een flink deel van de gebruikers krijgt last van neuropsychiatrische bijwerkingen, variërend van duizeligheid en een licht gevoel in het hoofd tot abnormaal wantrouwen, extreme nachtmerries en psychoses. Inmiddels is dit middel, vanwege die bijwerkingen, niet meer populair.

Last of geen last… Het is een soort wetmatigheid: wanneer je, bijvoorbeeld, een groep patiënten een middel tegen depressies voorschrijft, zal eenderde daar baat bij hebben, eenderde merkt niks van het middel en eenderde krijgt last van bijwerkingen.

Hetzelfde middel, dezelfde dosis en toch die verschillende gevolgen. Hoe komt dat? Arts-onderzoeker dr. Albert-Jan Aarnoudse (Erasmus MC, Rotterdam) geeft een aantal verklaringen in zijn proefschrift waarop hij onlangs promoveerde. Van invloed zijn, zegt hij, de leeftijd en het geslacht van de medicijngebruiker, de aard en de ernst van de ziekte waar iemand aan lijdt en of er ook andere medicijnen gebruikt worden.

"Maar", stelt hij, "variaties in de genen zijn ook van belang. Genen zijn betrokken bij de opname van het medicijn in de bloedbaan en bij de verdeling van het medicijn over de verschillende organen. In de organen heeft het medicijn allerlei effecten en ook die worden door genen geleid. Tot slot wordt ook de afbraak en uitscheiding van het medicijn door genen geregeld."



Tussen inslikken en uitplassen gebeurt er dus van alles onder invloed van onze genen. Maar hoe kan dat de gevoeligheid voor bijwerkingen van geneesmiddelen verklaren? Iedereen heeft toch dezelfde genen? Aarnoudse: "Dat klopt, maar de bouwstenen waaruit die genen zijn opgebouwd, de nucleotiden, kunnen binnen een groep mensen variëren. Kleine variaties van enkele nucleotiden,

single nucleotide polymorphisms (SNP's, zie kader), spelen een belangrijke rol in de wisselende werking van medicijnen. Ze zijn mede bepalend of een medicijn wel of niet werkt en of er bijwerkingen optreden."

Elk mens heeft ongeveer 20.000 genen. Aarnoudse keek niet naar de variaties van al die genen, maar concentreerde zijn onderzoek op het zogeheten ABCB1-gen. Waarom juist dat gen? Albert-Jan Aarnoudse: "Het ABCB1-gen zorgt dat er een eiwit wordt gemaakt dat een rol speelt bij de opname, verdeling en uitscheiding van veel geneesmiddelen. Dit ABCB1-eiwit is een soort pomp die ongewenste stoffen de cel uitpompt. Vergelijk het met een pomp bij een polder, die ervoor zorgt dat het water buiten de dijk wordt gepompt. Ik heb onderzocht of mensen met bepaalde SNP's in het ABCB1-gen meer risico lopen op het krijgen van bijwerkingen wanneer ze een medicijn gebruiken dan mensen met een andere variant van het gen."

Reageren