Er zijn kinderen die zelfmoord plegen, tot het uiterste gedreven na pesterijen door leeftijdsgenoten. Op 12 december 2007 maakte de 11-jarige Ben Vodden een eind aan zijn leven.
In oktober 2011 deed de 16-jarige Lisa Lejeune hetzelfde. Aanhoudende pesterijen door leeftijdsgenoten dreven hen tot het uiterste. En Vermeend ‘cyberpesten’ zou hebben geleid tot de recente moord op de 15-jarige Joyce Hau uit Arnhem. Pesten komt voor bij alle leeftijden, op alle denkbare en ondenkbare manieren.
Bij het woord ‘pesten’ denk je automatisch aan kinderen. Maar ook op de werkvloer worden mensen getreiterd tot ze de dood als enige uitweg zien. In augustus 2010 luidde het Nationaal Ouderenfonds de noodklok over pestgedrag in bejaardenhuizen, waarvan ruim 20 procent van de bewoners het slachtoffer is.
„Pesten komt overal voor waar ruimte is om elkaar te vernederen en te isoleren,” zegt pestdeskundige Alice Vlottes. „Binnen bedrijven zie je hoe één persoon stelselmatig belachelijk wordt gemaakt, bij vergaderingen genegeerd, niet uitgenodigd voor feestjes, geen uitdagende opdrachten krijgt en uiteindelijk ook maatschappelijk niet verder komt.”
Psycholoog Alice Vlottes werkt bij onderwijsadviesbureau APS (als trainer) en het Nederlands Jeugdinstituut (als lid van het Kwaliteitsteam Veiligheid). Ook was ze vijf jaar lang coördinator van Pestweb.
Waar eindigt gewoon plagen en begint het pesten? Vlottes: „Plagen is leuk voor beide partijen, pesten alleen voor de pestende partij. Al is het verschil niet altijd meteen duidelijk. Zodra de pester iets roept als: ‘Ach joh, geintje..!’, begint iedereen te lachen en het slachtoffer zelf lacht schaapachtig mee. Maar bij herhaling, in een situatie van machtsongelijkheid, noem je het pesten.”
Wat zijn pesters eigenlijk voor mensen? Vlottes: „Dat ligt eraan. Veel kinderen werden op de basisschool al gepest, waarna die lijn zich voortzet op de middelbare school. Maar sommige werden eerst op de basisschool gepest en gaan vervolgens op de middelbare school zélf pesten. En deze groep heeft een ander profiel dan de groep die als jong kind al begon.”
Volgens Vlottes kunnen de voormalige pestslachtoffers fanatiek en subtiel pesten, doordat ze precies de zwakke plekken kennen. „Maar de groep die van jongsaf spontaan pest, vertoont specifieke trekken als dominantie en een blijvende ongevoeligheid. De jongens zijn echte ‘haantjes’, die risico lopen om later in de criminaliteit te belanden. De meisjes lopen risico om gebrekkige moeders te worden, die slecht communiceren met hun eigen kinderen.”
De vooruitzichten voor hun slachtoffers zijn evenmin rooskleurig: van depressiviteit en psychosomatische klachten tot en met levenslange angst en een laag zelfbeeld.
Een relatief nieuwe pestvariant is het ‘cyberpesten’: creatief misbruik van internet om elkaar te sarren. „Jongeren worden met foto en 06-nummer voor seks aangeboden of in filmpjes te kijk gezet,” schetst Justine Pardoen, hoofdredacteur van Ouders Online en Mijn Kind Online. „En aangezien tieners makkelijk wachtwoorden uitwisselen, krijg je ook verkeerd uitpakkende ‘grappen’, zoals je voordoen als iemand anders. Nog een probleem: online worden teksten snel negatiever uitgelegd dan bedoeld, waarna de vlam in de pan slaat. Zeker bij pubers, die toch al niet uitblinken in zelfbeheersing en relativering.” Pardoens advies: „Maak niet te veel persoonlijke gegevens bekend aan grote groepen. Zet geen gewaagde foto’s van jezelf of anderen op internet. En zorg dat jij zelf niet kwaadspreekt of reageert op flauwe grappen.” Haar voornaamste tip voor ouders: „Probeer ze te laten nadenken: waarom doen ze iets; met welk doel en welke gevolgen? Blijf praten, praten, praten, zodat ze leren reflecteren. Zonder taal geen reflectie en zonder reflectie geen wijsheid.”
Ook Alice Vlottes is voorstander van praten. Meer specifiek, van de ‘vijfsporenaanpak’ (in de jaren ’90 ontwikkeld door psycholoog Bob van der Meer) waarin vijf partijen meedoen: slachtoffer, pester(s), groepsgenoten, leraar en ouders. Helaas tonen ouders van pesters zich niet altijd aanspreekbaar. Vlottes verdeelt die niet-coöperatieve ouders in twee groepen. Voor de hand liggen de asociale ouders uit achterstandswijken. Maar ouders uit villawijken blijken soms net zo lastig. „Mensen die geld en connecties hebben en zich nergens iets van aantrekken,” zo omschrijft Vlottes deze groep.” Ze gaan niet in gesprek, maar dreigen een advocaat in te schakelen. En tja, scholen zijn als de dood voor juridische procedures en publiciteit. Dus veel pestproblematiek wordt onder het tapijt geveegd. Vooral wanneer het slachtoffer suďcidaal gedrag vertoont. Zelfmoordneigingen zijn als het ware ‘besmettelijk’ en worden liever niet benoemd.”
Wat kun je als school dan het beste doen? „Allereerst je beleid bespreken in het onderwijsteam en een pestprotocol opstellen. Ten tweede: bij pestgedrag meteen ingrijpen! Pesters hebben duidelijke grenzen nodig, dus maak heldere afspraken met ze. Kijk naar gevaarlijke tijdstippen en plekken: de pauze, wc’s, kluisjes... En ten derde: tref bij herhaling ook daadwerkelijk maatregelen, in de vorm van sancties.”
Dat veel scholen zich ontwijkend opstellen uit angst om hun reputatie, kan Alice Vlottes wel begrijpen: „Natuurlijk, in onze maatschappij draait alles om imago. Maar toch: als school dien je ervan uit te gaan dat pesten óók bij jou voorkomt. Echt, ik moet de eerste pestvrije school nog tegenkomen!”
© BN DeStem 2012, op dit artikel rust copyright.
Wij plaatsen alleen reacties die ondertekend zijn met uw voornaam, achternaam en woonplaats.




Sorteer reacties















