Home / Extra / Auto / ‘Ambulance is verlengstuk van jezelf’

‘Ambulance is verlengstuk van jezelf’

Foto's
1
  • Afbeelding
    Beschrijving
    'Je moet je één kunnen voelen met de ambulance en precies weten tot hoever je kunt gaan'. foto Willem Mieras

In de ambulancewereld regeert de Mercedes-Benz Sprinter. Comfortabel, degelijk en onderhoudsvriendelijk zijn z’n sterke troeven.

Vrijwel alle nieuwe ambulances in Zeeland en West-Brabant dragen tegenwoordig de beroemde ster op de neus. De Mercedes-Benz Sprinter is sinds een aantal jaren de vaste keuze voor de ambulancediensten. Hij geldt als een degelijke wagen, comfortabel, ruim en heeft relatief lage onderhoudskosten.


Een flink contrast met de ambulance die tot een jaar of vijf terug de dienst uitmaakte: de Chevrolet Van. De slurpende V8 voorin (1 op 3 was geen uitzondering) zorgde voor de nodige kosten en hij stond bekend om het vreten van remschijven. En daarbij leverde Chevy geen krachtige en zuinige(re) dieselmotoren voor de Van.


Exit dus. Begrijpelijk, maar volgens sommige ambulancechauffeurs ontzettend jammer. Want het was een prima apparaat. 'Lag als een blok op de weg', 'Je kwam echt met iets aanrijden', 'Beresterke V8', zijn geluiden die je hoort.


Een alternatief voor de Chevrolet is een ambulance op basis van de Volkswagen T5, maar die wordt hier in de regio nooit echt een succes. Dit type is onderhoudsgevoelig en de 'werkplek' achterin is aan de compacte kant.


"De Sprinter is voor ons echt een verbetering ten opzichte van de T5", vindt Rini Goedegebuur, ambulancechauffeur bij Connexxion Ambulancezorg in Zeeland.


We spreken hem op de ambulancepost in Poortvliet. Hij leidt ons rond door 'de 106', zoals de Sprinter-ambulance intern heet. "De verpleger kan achterin makkelijk rechtop staan", demonstreert Rini. "En ook voorin is het een ruime, hoge auto met veel overzicht op de weg."


Motorblok, remmen, versnellingsbak; de ambulance is technisch vrijwel gelijk aan een standaard Sprinter. Alleen het onderstel is anders, de sprinter heeft namelijk aangepaste luchtvering om de patiënt zo comfortabel mogelijk te vervoeren. Tijdens hun opleiding worden chauffeurs achterin op de brancard gelegd om het veercomfort zelf te ervaren. "De instructeur begint eerst rustig en netjes, maar gaat daarna echt wild rijden en slingeren. Da's alles behalve prettig als je daar ligt, zoals je zult begrijpen. Je houdt in je rijstijl daarom altijd zoveel mogelijk rekening met de patiënt. Goede vering is hierin ontzettend belangrijk. Je moet je één kunnen voelen met de ambulance en precies weten tot hoever je kunt gaan. De ambulance wordt een verlengstuk van jezelf."


Midden in het gesprek loeit de pieper van Goedegebuur. Een spoedgeval. Het adres intikken in een navigatiesysteem hoeft niet. Staat allemaal al in het scherm van de MDT (Mobiele Data Terminal) voorin de cabine. Hierin verschijnen vanuit de meldkamer ook patiëntgegevens en informatie over de toestand waarin ze 'm zullen aantreffen.


Goedegebuur blijft kalm en alert. Dat was toen hij twaalf jaar geleden 'op' de ambulance begon wel anders. "Bij spoedgevallen voelde ik m'n hart in mijn oren bonzen. Aan het einde van een dienst met veel spoedritten zat ik er helemaal doorheen. Voordat ik met dit werk begon, was ik buschauffeur. Ik kon een bus met honderd drukke kinderen rondrijden, maar dat was lang niet zo heftig als een dag op de ambulance. Ik vond het wel meteen geweldig werk. Het voelt goed om zorg te bieden."