Tot dit jaar sprintte mijn vrouw rond deze tijd met haar gereedschappen naar
buiten om in een dag of twaalf hard werken de woestenij te herscheppen in
een aardige lusthof. Als ze zich dan doodvermoeid te bed wierp, leverde ik
mijn bijdrage door een tuinstoel uit te klappen en aanschouwde ik vervolgens
hoe de merels hipten. En ik zag dat het goed was. Dit jaar ging het anders.
Al in 2009 riep ze ineens opstandig: "Ik tuin er niet meer in." Ze
greep de telefoon en belde een hoveniersbedrijf, dat op zekere dag – zeer
vroeg – verscheen met trommelvliesverscheurende kettingzagen. Ik vroeg wat
dit te betekenen had, want ik heb zeker belangstelling voor het huishouden.
Zo zeg ik ook altijd of ze lekker gekookt heeft of niet. Het bleek om een
'onderhoudsarme' tuin te gaan. Toen ik die dag naar bed ging, vond ik de
rekening liefdevol uitgespreid op mijn hoofdkussen. 'Jouw beurt', had ze
erop geschreven. Ik sliep de gehele nacht niet, want het bedrag van vijf
cijfers maalde rond in mijn hoofd, terwijl mijn echtgenote tevreden knorde.
Nu, maanden verder, vond ik de nieuwe tuin toch wel erg kaal. Dat heb ik ook
gezegd. Ze pakte meteen de rekening van een nieuwe set tuinmeubels uit haar
tas. Ook niet misselijk. En als ik nu binnenkom, breek ik bijna mijn nek
over allerhande peperduur bloeiend tuingoed. Mensen, het is absoluut níet
eerlijk verdeeld tussen man en vrouw.
ton.meeuwis@bndestem.nl
















