Als ik aan carnaval denk, schuift in elk geval al snel de zaal van wijkcentrum de Pannehoef voor mijn geestesoog, waar ik het feest als klein meisje vierde. Dan denk ik aan de kostuums, de kleuren. Aan de 'grote kinderen', die het tijdens carnaval wél goed vonden als ik met ze wilde spelen of dansen. Maar vooral: aan mijn familie.
Mijn vader, mijn moeder, mijn ooms en tantes. Het leken ineens wel andere mensen, in hun maffe pakken, lachend, kletsend, bier in de hand. Kinderen werden zonder morren opgenomen in de gesprekken van groepjes vrolijke volwassenen.
Toen ik ouder werd, ging iets van de magie verloren. Ik werd zelf een van de 'grote kinderen', en later een volwassene.
Carnaval bleef leuk, daar niet van – het bier kruipt waar het niet gaan kan. Maar de magische wisselwerking tussen groot en klein, die dimensie verdween.
Tot nu. Vrijdag bracht ik voor het eerst zelf een kaboutertje naar het kinderdagverblijf. Ze zette er grote ogen op bij de felrode brandweerhelmen en knalroze Mega Mindy-kostuums van andere kindjes. Net zoals ze thuis met grote ogen naar de felgekleurde kleren van haar papa en mama keek. Alles ineens anders. Het kleine meisje dat ik ooit was, keek me even door haar ogen aan. En in één klap keerde de oude magie terug.
Dat hebben de kaboutertjes gedaan.
nicole.andries@bndestem.nl Volg Nicole Andries via twitter:
www.twitter.com/nicoleandries
© BN DeStem 2012, op dit artikel rust copyright.
Wij plaatsen alleen reacties die ondertekend zijn met uw voornaam, achternaam en woonplaats.
















