We gaan eens iets anders proberen. Jan Luysterburg, contactpersoon van de werkgroep Dialecten van Heemkundekring Het Zuidkwartier, heeft daarvoor een plannetje.
Ik laat het hem even duidelijk maken: 'Al vele jaren ben ik geïntrigeerd door het verschijnsel 'zeispreuken, ook wel 'wellerismen' of 'apologische spreuken' genoemd. Nou zeggen deze geleerde woorden de meeste mensen helemaal niets, maar een paar voorbeelden doen in dit geval wonderen.
Da's jêên, zeej Tijl Uilenspiegel, en ij gwôôide zun moeder van de trap.
Alle bietjes ellepe, zeej de mug, en ij pieste in de zeej.
Un aai is un aai, zeej de boer, en ij pakte n'ut grwôôtste.
Het is daarmee duidelijk, wat een 'zeispreuk' (door mij zeej-spreuk genoemd) eigenlijk is. De zeispreuk bestaat uit diverse delen: een melding, een mededeling, een spreuk, een algemeenheid. De vermelding van degene die de melding doet.
Na het woord 'en' een verrassende, vaak humoristische uitleg, toevoeging of verklaring. Er zijn streken in Nederland en België, waar het bijna een volkssport lijkt om zoveel mogelijk zeispreuken te gebruiken tijdens gesprekken. Ik heb de stellige indruk dat dit in mijn omgeving (gemeente Woensdrecht) vroeger ook erg in zwang is geweest. Maar hoewel hier nog steeds veel mensen dialect spreken, lijken de zeispreuken inmiddels wel volledig verdwenen. Ik zou het erg op prijs stellen en waarderen als jij in jouw rubriek zou navragen welke zeispreuken de mensen nog kennen en nog regelmatig gebruiken wanneer ze dialect spreken.'
Nou Jan, dat lijkt me wel wat, we zullen zien wat voor reacties we krijgen.
Reacties op de Bredase 'prachtig mooie mensen' kwamen er ook. Zoals die van Mia Schouten Claveaux: 'Ik vond het heel leuk, vooral omdat ik de familie Van Dorst goed heb gekend omdat wij buren waren. Wij woonden op de hoek van de Fellenoordstraat en de Nieuwe Huizen en hadden daar een rijwielzaak. Onze buren waren goud waard, want als er iets aan de hand was, beschermden ze ons en er mocht niets fout gaan, want dan kwam de buurvrouw altijd voor ons op. Als het onweerde, was mijn buurmeisje Anneke van Dorst altijd erg bang en dan kwam zij naar ons en werd in mijn armen weer rustig, want mijn vader en ik vonden het spannend om in de deuropening naar de donder en de bliksem te kijken.'
Zelfs uit Made kreeg ik een reactie, en wel van Jan Braat. Hij schreef:
Toennik ut stukske over dun Snarf zaat te lezen, konnik nun glimlag nie onderdrukke, want die konnik noameluk ok. Allenig hattie oos wa aanders verteld waorom dattie Snarf heette. In dun begin van de sestiggerjaore werktunnikas dreglainmachinist bai de fa de laot uit Breda, en ware aonnut werk op dun Aipullèr (Ypelaar). Dè waar toendertaid nog één grote waai, we moeste daor riool aon legge.
En daor reej meejun vrachtwaogetje ene Snarf van Dorst, natuurluk kwaam van lieverleej de vraog waor de nie alledaogse naom van doan kwaam. Hai zeej toen tegen oos da hullie vaoder, toen klaine Snarf geboren was, hum aon ging geven opput stadhois, en moes zegge hoewut jong heette, dattie Frans moest heette. Toen zei diejen mees aachter ut buro, dattè nie kon want jullie hebben allunne Fraans, en toen zeej vaoder dan draaidut mar om, dè gebeurde vroeger wel meer hor, want meestal had degene die dieje klène
aon ging geven wel wa gedronken.'
Mooi verhaal, Jan.
rose.lokhoff@bndestem.nl



Sorteer reacties











