Volledig scherm

Column: Kerstvakantie

Mijn vader was nooit vrij als ik kerstvakantie had. Hij werkte dan in de bietencampagne op de suikerfabriek in Zevenbergen. Al zeiden wij toen nooit bieten, maar peeën. Terwijl ik dan vakantie had, stond hij daar een hele werkdag, -avond of -nacht lang met een soort van waterkanon op een berg suikerbieten te mikken.

Die peeën belandden op die manier in een goot die naar het inwendige van de fabriek voerde. Wat er verder met die bieten gebeurde, interesseerde me niet. De kracht van die waterstraal was veel fascinerender.

Heel vaag herinner ik me surrealistische beelden van mijn vader die daar ’s avonds stond te spuiten, in oliegoed, hel verlicht door felle lampen. En altijd hing er die zoetige geur. Een onmiskenbare, onvergetelijke lucht die me nadien elk najaar opnieuw deed beseffen dat de campagne was begonnen. Het leek destijds alsof alle vrachtwagens met peeën voor Zevenbergen bij ons door de straat moesten. Er mieterden altijd wel bieten vanaf. Die holden we uit en we zetten er een brandend kaarsje in. Van Hallo­ween had nog nooit iemand gehoord.

Mijn vader werkte op de suikerfabriek in ploegen. De keren dat hij na een lange nachtdienst thuis kwam, kroop ik als manneke van een jaar of vijf, zes ’s ochtends vroeg bij hem in bed. Hij helemaal afgepeigerd, ik klaarwakker en nieuwsgierig naar het vervolg van het feuilleton dat hij me de hele winter door vertelde. Er was een jaar dat het verhaal over de avonturen van twee circuspaardjes ging, Nora en Corrie. De volgende winter verhaalde hij over een mis­­sionaris die ergens in de tropen gekke dingen meemaakte.

Of mijn vader verzon de episodes van zijn feuilletons ter plekke, of hij bedacht ze al op de suikerfabriek. Maar altijd was er een vervolg. Ik luisterde ademloos toe en zei alleen maar iets als hij vanwege wat ze nu COPD noemen, buiten asem raakte en er benauwd even het zwijgen toe deed: ‘En toen pa?’

Mijn drang tot schrijven dank ik aan hem, de dichterlijke ongerijmdheid aan mijn moeder.