Volledig scherm

Column: Kerstrede

Elk jaar rond deze tijd keer ik in gedachten terug naar de memorabele 27 december 1973: ‘Landgenoten, het is weer Kerstmis… geweest.’

De door onder meer absurdist Wim T. Schippers bedachte VPRO-kerstshow met Fred Haché, Barend Servet en mijn grote held Sjef van Oekel. Alles erop en eraan, een gastoptreden van Ko van Dijk, blote dans én een kersttoespraak van een gewatergolfde koningin Juliana look-a-like met schitterende vlinderbril.

Schaterend lagen wij tieners voor de beeldbuis, terwijl mijn quasi verontwaardigde vader zijn hoofd schudde en krampachtig zijn lach inhield. Niet veel later zou ook hij openlijk toegeven een fan te zijn van Van Oekel. Als het ware.

Mijn adoratie was dusdanig dat ik hele elpees van genoemde karakters uit mijn hoofd kende. En dus ook de kerstrede: ‘En ik hoop dat u met deze boodschap mijn toespraak van gisteren voor niet uitgezonden wilt houden, want daar is deze dus voor in de plaats gekomen. Zo, nu gauw mijn gouden muiltjes ophalen…’

Ik vraag me af in hoeverre een koninklijke kerstrede in deze losgeslagen tijd nog nut heeft. ‘Velen hebben het gevoel te leven in een land zonder luisteraars’, verkondigde Willem-Alexander dit jaar. Hoeveel mensen zullen naar hém geluisterd hebben? ‘Waar heb dat nou voor nodig’, heette de kerstshow in 1973 en dat zou je ook kunnen zeggen over die vijf minuten majesteitelijke zendtijd in 2016.

En wat vindt Willem-Alexander er zelf van? Hij was als Leids student ook een groot fan van Sjef van Oekel. Misschien zou hij daarom diep in zijn hart het liefst de tekst laten schrijven door Schippers of Sander van de Pavert.

Maar dat doet hij niet, uit respect voor de traditie, vol ontzag voor zijn moeder én uit respect voor degenen, die blijkens de vele positieve reacties op social media, wel degelijk kracht putten uit de bemoedigende woorden van hun vorst.

Mijn conclusie: de kerstrede mag blijven. Krijg ik lekker jaarlijks weer die uit 1973 stammende slappe lach.