Rijstbouw in Thailand. Dit basisvoedsel is voor velen onbereikbaar geworden door enorme prijsstijgingen. foto GPD
Door te investeren in efficiënte landbouw en te werken aan een aanpassing
van het bestaande biobrandstofbeleid om zo de ergste tekorten aan vooral
maïs weg te kunnen werken.
De noodzaak tot stevig ingrijpen
blijkt uit de cijfers. Neem rijst, voor bijna de helft van de
wereldbevolking het basisvoedsel. De Aziatische Ontwikkelingsbank berekende
onlangs dat de prijs van een ton rijst, die in december nog 185 dollar was,
in maart jongstleden was verviervoudigd tot circa 700 dollar. Eenzelfde
prijsbeeld zien we voor graan en maïs. Wanneer je weet dat armen in Afrika
en Azië ruim de helft van hun inkomen besteden aan voedsel, dan wordt snel
duidelijk hoe desastreus de gevolgen van deze crisis zijn.
De
voedselcrisis treft vooral de arme stedelingen, die vaak het platteland
verruilden voor de stad in de hoop op een beter leven. Veel jonge
schoolverlaters hebben nauwelijks uitzicht op een baan. De frustratie over
onvervulde dromen vertalen zij in sociale en politieke onrust, zoals in
Haïti, waar groepen hongerenden bij tijd en wijle plunderend door de straten
trekken, maar ook op de Filippijnen, in Ivoorkust en tal van andere landen.
Deze vernielingen en rellen berokkenen ook de economische opbouw van
ontwikkelingslanden schade, waarmee de neerwaartse spiraal alleen maar wordt
versterkt.
De recente uitlatingen van Wereldbank-president Robert
Zoellick zijn weinig hoopgevend. Hij schat dat de voedselprijzen tot 2013 of
wellicht zelfs 2015 hoog zullen blijven, omdat het nu eenmaal tijd vergt om
de productie op te voeren. Wat dient er nu te gebeuren om weer meer
evenwicht in de markt te krijgen? De miljarden Chinezen en Indiërs die
steeds meer gaan consumeren (vlees én groenten) zullen dat niet minder gaan
doen. Ook het gebruik van landbouwgrond ten behoeve van biobrandstoffen zal
gehandhaafd blijven. De belangrijkste winst bestaat uit het verder
liberaliseren van de markt (geen import- en exportheffingen), maar vooral
ook uit een stevige impuls aan de mondiale landbouw. De laatste twintig jaar
is er nauwelijks geïnvesteerd in de voedselproductie vanwege te lage prijzen
(geen aanbodprikkel). Dat werd deels veroorzaakt door de marktverstorende
landbouwpolitiek van de EU en de VS.
Die trend moeten de
deelnemers aan de FAO-top in Rome keren. Een combinatie van vrije markt en
gerichte steun zal resulteren in meer voedselproductie op de plekken waar
dat het meest efficiënt is.
Neem Oekraïne. Eens was het de
graanschuur van Europa, maar vandaag de dag produceert het land nog maar de
helft van wat vóór 1989 gebruikelijk was. Na het uiteenvallen van de
Sovjet-Unie verdeelde de overheid de gronden van oude grote
landbouwcoöperaties op pachtbasis onder de leden van die kolchozen en
sovchozen. Door het opblazen van de oude structuur stortte de productie in:
de nieuwe kleine boeren hadden niet de voorheen door de overheid geleverde
middelen (machines, zaden, kunstmest) om de productie op hetzelfde niveau
voort te zetten. Bovendien waren de productprijzen laag en trokken vooral de
jongeren liever naar de stad om hun geluk te zoeken in de daar opkomende
markteconomie.
Eenzelfde beeld zie je in Zimbabwe. Ook daar waren
vroeger vele wuivende akkers te vinden, maar door jarenlang wanbeleid kan
het land zijn positie van graanleverancier voor zuidelijk Afrika niet meer
vervullen. Hopelijk kan een regimewisseling – het vertrek van Mugabe –- hier
uitzicht bieden op herstel. Die oude graanschuren van de wereld moeten weer
op orde worden gebracht. De Nederlandse ontwikkelingsbank FMO werkt daar
hard aan.
Ze financiert bijvoorbeeld Nederlandse boeren die in
Oekraïne in grootschalige landbouw willen investeren. Daarnaast staat de FMO
open voor een bredere introductie en aanvaarding van genetisch veranderd
voedsel.
- Nico Pijl is financieel directeur van de Nederlandse
ontwikkelingsbank FMO














