Rients van Buren spant een pasgewassen huid op de rekmachine. Daar worden ze groter en soepeler door. De huiden ondergaan dit rekproces twee keer. foto's Gitte Brugman
De vachten komen van slachte- rijen, die ze zouten om ze langer te kunnen bewaren. Het idee dat het bij Van Buren zou stinken naar rottend vlees is dan ook een fabeltje. In stapels liggen de gezouten vachten buiten en in het magazijn. Ze voelen hard en een beetje plakkerig aan.
Het proces van verwerken duurt een week. Op maandag gaan de huiden in de waston, waar ze een dag lang steeds opnieuw worden gespoeld. Rients: "Soms wassen we zelf, soms besteden we het uit." Van Buren werkt samen met enkele Europese collega's, hij is net terug van een zakenreis naar Macedonië en Bosnië. "We zijn ook elkaars concurrenten, dus we werken niet in alles samen." Maar de werkloze waston in Bolsward gaat binnenkort naar een van de collega's die de meeste wasklussen op zich neemt.
Dinsdagmorgen gaan de huiden onder het mes. Dat draait vliegensvlug de laatste vleesresten van de binnenkant af en zorgt dat de poriën van de huid open staan voor de looistof. De vachten gaan weer in het bad, waaraan de Van Burens langzaam hun geheime recept toevoegen. Zoon Jolt: "De looistof is ervoor bedoeld dat het haar op de huid blijft zitten." Vier dagen later zijn de huiden genoeg geweekt en gaan ze door een wringer, die een groot deel van het water eruit drukt en ze wat platter maakt. Na het eerste drogen op zolder is het tijd om de vellen voor de eerste gang door de rekmachine te halen.
Jolt: "Dan worden ze wat groter en soepeler." Daarna mogen de vellen opnieuw hangen tot ze echt helemaal droog zijn en voor een tweede keer gerekt kunnen worden.
Op de eerste verdieping werkt Sjors Soyan - een van de in totaal vijf personeelsleden van de pelslooierij - een grote stapel witte schapenvachten weg. Nou ja wit, de meeste zijn wat gelig. Rients: "Je kunt goed zien waar zon en vuil de meeste invloed hebben gehad." En hij wijst op de iets donkerder baan op het midden van de rug. Oneffenheden verwijderen Rients en Sjors vervolgens op een slijptol. "Dat is echt handwerk." Vaardig voelen beide mannen of er verdikkingen in de huid zitten die ze glad kunnen strijken. Hun handen duwen door het dichte haar. Slijpstof en pluisjes dwarrelen door de lucht.
Het is nu tijd de huid in zijn vorm te snijden. Kale stukjes oksel verdwijnen in de afvalton. Tot slot wacht er nog het glansapparaat, dat de pels zijn bestaande structuur teruggeeft. Het donzige is dan weer wat van de schapenvacht af en het haar glimt in al zijn glorie.
Het grootste deel van de lams- en schapenvachten – doorgaans zo'n 80 procent – is nu klaar voor de verkoop. Ze vinden hun weg naar kinderzitjes, interieurs of de meubelindustrie. De resterende huiden met beschadigingen zijn altijd nog goed voor warme pantoffels, sloffen en mutsen, handschoenen of zadeldekjes. Die worden geschoren en geverfd.
Jolt weet handig de onderdelen van een slof uit een vacht te stansen. Uit één vacht kan hij met een beetje geluk net twee paar sloffen halen. De productie van sloffen verklaart ook de blauwe vachten op de eerste verdieping. "Mensen willen geen witte sloffen, dus verven we ze blauw of bruin." Van Buren zoekt de huiden altijd met zorg uit. Rients: "We kunnen niet te veel uitval hebben, dus willen we geen huiden met verfstrepen of vilsneden." Vooral rode verf van merkstiften die boeren of veehandelaars gebruiken, laat zich niet verwijderen.
Hij kan merken dat het economisch wat minder gaat, want slagers zijn zuiniger met villen. "Dat is goed voor ons." Grote slagers zouten hun huiden en speculeren er wel mee. "Als er weinig vraag is, houden ze ze wat langer vast."


















