Mensen drommen samen bij een provisorisch kamp voor de overlevers van de aardbeving op een golfbaan in Port-au-Prince. foto Jae C. Hong/AP
Grote, glimmende, houten wandmeubels. Tafels. Stoelen. En dat aan twee
kanten van de straat, over een lengte van tweehonderd meter. Naast het
ministerie van Justitie roept een jongen met telefoonkaarten van welk
netwerk hij beltegoed verkoopt. En voor het presidentieel paleis laat een
auto zijn ramen zakken, zodat de inzittenden foto's kunnen maken van het
witte gebouw.
Maar hoe hard sommige mensen het ook proberen, de
lijst normale zaken is oneindig veel kleiner dan die van de abnormale zaken.
Bulldozers zijn begonnen met puinruimen. Straten zijn half of helemaal
afgesloten. Op straat liggen her en der nog steeds lijken, omwikkeld met
doeken. En bij het mortuarium van het Hôpital General draaien ze overuren.
Onderwijl proberen veel mensen Port-au-Prince te verlaten. In bussen en
vrachtwagens gaan ze richting de provincie. Vaak moeten ze uren wachten bij
het benzinestation, brandstof is schaars.
Anderen dromen ervan
Haïti helemaal te verlaten: in de veronderstelling dat een aardbeving de
VSgunstig gezind maakt, staan honderden Haïtianen bij de Amerikaanse
ambassade voor een visum dat ze nooit zullen krijgen.
Geweld en
plunderingen, door de Verenigde Naties voortdurend gemeld, komen slechts in
kleine delen van de stad voor. Tenzij het speuren naar dingen van waarde
tussen de puinhopen plunderen is. Op de resten van overheidsgebouwen lopen
jongens te zoeken naar alles wat geld oplevert.
Grote delen van de
stad zijn rustig, zij het dat zich overal op straat duizenden mensen
bevinden, hun tijdelijke huis. Wat opvalt – en westerse hulpverleners ergert
– is de houding van veel Haïtianen. Terwijl internationale brigades mensen
uit het puin redden, lichamen bergen, drinken en eten uitdelen, staan
honderden Haïtianen op straat niets te doen.
Zo wordt de
groep mannen bij de ingang van het vliegveld met de dag groter. Ze staan te
staan en ze kijken. Gisteren vond er een eerste incident plaats, waarbij
VN-soldaten waarschuwingsschoten moesten lossen.
Is het apathie?
Of was het zoveelste noodlot dat Haïti trof er net één te veel, en weten ze
domweg niet meer wat te doen? "Als Haïti hiervan herstelt, hoop ik dat
het voorgoed is en het land eindelijk een normaal aanzien krijgt", zegt
Lise Pfister, een in Lausanne geboren Haïtiaanse.
Lees al het
nieuws over Haïti op
www.bndestem.nl/haiti


Sorteer reacties















