De opening van het academisch jaar op de Universiteit Utrecht in 2007. Volgens de commissie-Veerman is het tijd voor ingrijpende veranderingen in het hoger onderwijs. foto Phil Nijhuis/GPD
Een echte drop-out was hij niet. Bormans haalde zijn propedeuse. Toch laten veel studenten zich door dergelijke ervaringen wel uit het veld slaan, ziet hij. Dat moet anders, oordeelde hij gisteren bij de presentatie van het advies voor de toekomst van het hoger onderwijs. "Onderwijs moet zich meer toespitsen op de student."
In opdracht van toenmalig minister van Onderwijs Ronald Plasterk keek Bormans samen met onder meer oud-minister Cees Veerman naar de toekomstbestendigheid van het hoger onderwijs. Want er móet wat gebeuren, had Plasterk gezegd. Het stelsel begint uit zijn voegen te barsten. De toestroom is veel groter en diverser geworden en mede daardoor kunnen niet alle studenten het uiterste uit zichzelf halen. Moet er niet een ander stelsel komen?
Ja, oordeelde, de commissie gisteren. Het onderwijs moet snel beter en gevarieerder. "Als we zo doorgaan, redden we het in de toekomst niet." De commissie vindt dat alle opleidingen aan de poort moeten selecteren en dat studenten gemakkelijker zelf een vakkenpakket moeten kunnen samenstellen. Bovendien moet het eerste jaar van een opleiding meer algemeen zijn zodat studenten beter kunnen uitzoeken: is deze opleiding wel iets voor mij? Een systeem uit Plasterks hart gegrepen. Bijna watertandend keek hij naar Amerika dat vier typen hoger onderwijs kent: afhankelijk van de intelligentie van de student, zijn interesse in wetenschap en zijn behoefte om lang of kort te studeren.
Geen gek plan, vindt ook Rob Martens, hoogleraar onderwijskunde aan het Ruud de Moor Centrum van de Open Universiteit. "De uitval onder studenten is hardnekkig, soms haalt de helft het eind niet." Wie zijn studie wel afmaakt had vaak liever iets anders gedaan. "Ons onderwijs is er veel te veel op gericht alles snel af te ronden, meteen goed te kiezen."
Opleidingen op meer niveaus zouden dat oplossen, denkt Martens. Maar door het minimale onderscheid tussen hbo en universiteit dat zo ontstaat, moet de universiteit oppassen haar niveau niet naar beneden te halen. Een ontwikkeling die al gaande is, meent Peter de Reijke, hoofddocent Bedrijfskunde aan de HAN. "Ze moeten wel. Doel is immers dat in 2020 de helft van de bevolking hoger onderwijs heeft gevolgd."
Ook het hbo wil zo groot mogelijk worden en speelt daarbij universiteitje, stelt De Reijke. "Het begon in de jaren negentig toen veel hbo-instellingen fuseerden tot kolossen met duizenden studenten. In navolging van de universiteit kregen de hbo's vervolgens lectoraten. Daarna begonnen ze ook masteropleidingen aan te bieden." Hartstikke fout, vindt De Reijke: "Het hbo lijdt aan grootheidswaanzin én moet af van zijn Calimero-gevoel, want het trekt er studenten mee aan die daar simpelweg de capaciteiten niet voor hebben. Juist daardoor sneuvelen er veel." De commissie-Veerman pleit ervoor het hbo meer masters te laten aanbieden en meer onderzoek te laten doen. Volgens voorzitter Veerman betekent dat niet dat hbo en universiteit meer op elkaar gaan lijken. Die tweedeling blíjft, stelt hij. Net als Ronald Plasterk: "Van het hoger onderwijs moeten we geen eenheidsworst maken. Maar nu is het niet goed genoeg."


















